Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- salaris gemachtigde € 660,00 (2 punten x tarief € 330,00)
- nakosten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser was sinds 1 augustus 2021 in dienst bij gedaagde als chauffeur en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 maart 2022. Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarin een bruto bedrag van € 8.000,- ter finale kwijting werd overeengekomen, inclusief salaris tot de einddatum en overige vorderingen.
Eiser vorderde betaling van het loon over januari 2022, een wettelijke verhoging, rente en incassokosten. Hij stelde dat het loon over januari 2022 niet was betaald omdat loon volgens hem altijd een maand later werd uitbetaald. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het loon steeds in dezelfde maand werd betaald, met overuren die een maand later werden vergoed.
De kantonrechter oordeelde dat uit de betalingsspecificaties blijkt dat het loon steeds in dezelfde maand werd betaald, inclusief januari 2022. Daarnaast bevatte de vaststellingsovereenkomst een finale kwijting die alle vorderingen van eiser omvatte. Er was geen sprake van een onbekende rekenfout die de overeenkomst zou kunnen vernietigen. Daarom werden de vorderingen afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.