ECLI:NL:RBZWB:2023:9414
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeling voor belaging
De veroordeelde, veroordeeld voor belaging, maakte bezwaar tegen de afname en opslag van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA. Hij stelde dat vanwege zijn ernstige obsessieve compulsieve stoornis (OCD) en de aard van het misdrijf het bepalen en verwerken van zijn DNA niet van belang zou zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer en de veroordeelde en officier van justitie gehoord. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke vereisten voor DNA-afname en dat de uitzonderingsgronden uit de Wet DNA zeer beperkt zijn.
Hoewel de psychische problematiek van de veroordeelde wordt erkend, acht de rechtbank dit geen reden om af te zien van DNA-afname. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die het bezwaar rechtvaardigen, mede gelet op het recidivegevaar en de aard van het delict.
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt daarmee de wettelijke verplichting tot DNA-afname bij veroordeling voor het misdrijf belaging.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en verwerking is ongegrond verklaard.