Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 24 januari 2024 te 09.00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door [gedaagde] zoals bedoeld in overweging sub 3.12;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Stichting Casade vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] omdat deze het gehuurde zonder toestemming zou onderverhuren en niet als hoofdverblijf zou gebruiken. Casade baseert dit op huisbezoeken, buurtonderzoeken en verklaringen waaruit blijkt dat [gedaagde] zelden in het gehuurde wordt aangetroffen en dat anderen het pand gebruiken.
[gedaagde] betwist dit en stelt dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, onderbouwd met poststukken, bankafschriften en reisgegevens. Hij wijst erop dat hij door studie, werk en verblijf bij zijn vriendin vaak afwezig is. De kantonrechter oordeelt dat het bewijs voor onderverhuur onvoldoende is en dat Casade daarom nog geen beroep kan doen op het bewijsbeding dat de bewijslast bij de huurder legt.
Wel is er een verzwaarde stel- en motiveringsplicht voor [gedaagde] om aan te tonen dat hij hoofdverblijf heeft. Tot op heden heeft hij daaraan niet voldaan. De kantonrechter geeft hem de gelegenheid om alsnog nadere stukken te overleggen en houdt verdere beslissing aan. De zaak wordt verwezen naar een nieuwe terechtzitting voor het nemen van een akte na tussenvonnis.
Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst wordt aangehouden en de huurder krijgt gelegenheid om zijn hoofdverblijf nader te onderbouwen.