Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 25 september 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2018;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven met een productie;
- de door Woonbedrijf genomen memorie van antwoord met een productie;
- de door [appellant] genomen akte met een productie;
- de door Woonbedrijf genomen antwoordakte.
6.De beoordeling
- [appellant] heeft in het verleden samen met mevr. [voormalige partner van appellant] (hierna: [voormalige partner van appellant] ) de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] gehuurd van Woonbedrijf, en zij hebben daar gewoond.
- Woonbedrijf heeft de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] met ingang van 1 juli 2014 verhuurd aan [appellant] . Het betreft een bovenwoning in een rij van aaneengesloten gebouwde beneden- en bovenwoningen.
- [voormalige partner van appellant] is in de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] blijven wonen.
- In verband met het feit dat [voormalige partner van appellant] de woning aan de [adres 1] bleef huren en [appellant] de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] was gaan huren, heeft Woonbedrijf bij brief van 22 september 2014 onder meer het volgende meegedeeld aan [appellant] :
- In artikel 2 van Pro de huurovereenkomst die Woonbedrijf met [appellant] is aangegaan voor de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] , staat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om als woonruimte te worden gebruikt door huurder en de leden van zijn huishouden.
- Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden Woonruimte van Woonbedrijf van 1 november 2004 van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). In de algemene voorwaarden staat onder meer het volgende:
- Woonbedrijf heeft eind 2014 verklaringen van omwonenden ontvangen die er kort gezegd op neerkomen dat [appellant] niet in de woning woont, dat hij slechts korte bezoeken brengt aan de woning en dat de woning bewoond wordt door de neef van [appellant] .
- Nadat [appellant] zich begin juli 2014 had laten uitschrijven van het adres [adres 1] te [plaats 1] , is [voormalige partner van appellant] in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme tip dat [voormalige partner van appellant] op de [adres 1] te [plaats 1] nog samenwoonde met [appellant] , is de sociale recherche in opdracht van het college van B&W van de gemeente Best een onderzoek gestart.
- Bij brief van 8 juli 2015 heeft Woonbedrijf aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- Bij brief van 10 juli 2015 heeft de advocaat van [appellant] aan Woonbedrijf onder meer meegedeeld dat [appellant] wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat [appellant] niet bereid is om de huurovereenkomst te beëindigen.
- Op basis van de uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek van de sociale recherche heeft het college van B&W van de gemeente Best het recht op bijstand van [voormalige partner van appellant] bij besluit van 29 juni 2015 ingetrokken met ingang van 7 januari 2015. [voormalige partner van appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit, en zij heeft aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, Afdeling Bestuursrecht, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek afgewezen bij uitspraak van 11 september 2015. In rov. 6 van die uitspraak heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende overwogen:
- het college handhaaft niet langer de nu aan de orde zijnde bestreden besluiten en de daaraan voorafgaande besluiten;
- het college verricht een nabetaling van bijstand aan appellante van € 3.000,-;
- appellante trekt het hoger beroep in;
- partijen verlenen elkaar voor het overige over en weer volledige kwijting.”
- ontbinding van de tussen Woonbedrijf en [appellant] bestaande huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met al de zijnen en het zijne en al degenen die op naam van hem in het gehuurde verblijven;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van de geldende huur tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst en tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur over de periode vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming van het gehuurde;
- [appellant] is op grond van artikel 6.2.1 van de algemene voorwaarden gehouden zijn hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Er zijn aanwijzingen dat [appellant] de nachten vaak elders verblijft en dat hij de woning in gebruik heeft gegeven aan zijn neef (rov. 5).
- Op grond van artikel 6.6.2 van de algemene voorwaarden moet [appellant] , nu de woning zonder toestemming in gebruik gegeven is, bewijzen dat hij onafgebroken hoofdverblijf heeft in de woning (rov. 6).
- alsnog vernietigen van het verstekvonnis van 5 november 2015;
- alsnog afwijzen van de vorderingen van Woonbedrijf;
- [getuige 1] , een vriendin / kennis van [appellant] die ook op de [straatnaam] in [plaats 2] woont;
- [de neef van appellant] , de in rov. 6.1 van dit arrest genoemde neef van [appellant] ;
- [voormalige partner van appellant] , de in rov. 6.1 van dit arrest genoemde partner of ex-partner van [appellant] ;
- [getuige 2] , voormalig collega van [appellant] .
- [getuige 3] , in de in dit geding relevante periode bewoonster van de woning [adres 3] te [plaats 2] (de woning onder het gehuurde);
- [getuige 4] , in de in dit geding relevante periode bewoner van de woning [adres 3] te [plaats 2] (de woning onder het gehuurde), en naar het hof begrijpt de huisgenoot van getuige [getuige 3] ;
- [getuige 5] , in de in dit geding relevante periode werkzaam als handhaver / toezichthouder voor de gemeente Best.
- dat zij [appellant] regelmatig in de woning en in de straat heeft gezien;
- dat zij wist dat ook de neef van [appellant] in de woning woonde;
- dat zij niet weet of [appellant] de meeste nachten in de woning heeft verbleven;
- dat zij vindt dat [appellant] zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad.
- dat hij vanaf het begin van zijn studie in de woning is gaan wonen;
- dat hij een ander leefritme had dan [appellant] waarbij [appellant] vroeg opstond en een werkdag had terwijl [de neef van appellant] in zijn eerste studiejaar veel uitging, laat naar bed ging en er laat uitkwam;
- dat hij [appellant] ongeveer vier tot vijf keer per week zag;
- dat hij er niet goed zicht op had hoe vaak [appellant] ’s nachts in de woning verbleef;
- dat hij wel eens heeft gemerkt dat [appellant] niet thuis sliep;
- dat [appellant] zijn eigen levensmiddelen in de koelkast had staan en zijn eigen toiletartikelen in de badkamer.
- dat zij tot juli 2014 met [appellant] heeft samengewoond (naar het hof begrijpt: aan de [adres 1] te [plaats 1] );
- dat [appellant] vervolgens (in juli 2014) naar de [adres 2] in [plaats 2] is verhuisd en daar zijn hoofdverblijf heeft gehad;
- dat zij in januari 2015 aan haar arm is geopereerd en dat [appellant] in de weken daarna wel eens ‘s nachts bij [voormalige partner van appellant] is blijven slapen, en dat dit wel eens twee keer in de week kan zijn geweest;
- dat zij in mei 2015 last heeft gekregen van nekpijn, waarvoor zij zware medicijnen kreeg, en dat [appellant] ook in die periode een paar keer is blijven slapen;
- dat de neef van [appellant] ook in de door [appellant] gehuurde woning woonde.
- dat hij destijds samen met [appellant] heeft gewerkt voor een beveiligingsbedrijf;
- dat hij weet dat [appellant] zijn adres heeft laten omzetten naar [adres 2] ;
- dat hij [appellant] daar meerdere keren heeft opgehaald, een keer of vier;
- dat hij drie keer bij [appellant] op het adres [adres 2] heeft gegeten;
- dat hij weet dat ook de neef van [appellant] op dat adres woonde;
- dat hij niet uit eigen wetenschap weet of [appellant] in de woning sliep;
- dat hij [appellant] ook nu nog geregeld ziet, dat ze dezelfde werkgever hebben en dat hij ook nog wel eens bij [appellant] koffie gaat drinken.
- dat zij [appellant] maar een paar keer heeft gezien;
- dat [appellant] dan kort bij de woning kwam, naar boven ging, met enveloppen terug kwam en weer vertrok;
- dat [appellant] soms ook verf in het hok (het hof begrijpt: de berging) kwam zetten en dan weer vertrok;
- dat [appellant] ’s morgens ook spullen uit de berging haalde en daarna vertrok, maar dat zij niet weet of [appellant] dan uit de woning kwam of van elders;
- dat de bus en de grijze auto van [appellant] nooit lang voor de deur geparkeerd stonden, en er ’s nachts niet stonden, terwijl er genoeg parkeerruimte is;
- dat het hoorbaar was als de neef van [appellant] thuis was, en dat er jongeren, studenten op bezoek kwamen.
- dat [appellant] slechts enkele keren in de woning heeft verbleven, hetgeen dan zichtbaar was omdat zijn auto dan voor de deur stond;
- dat [appellant] soms in een personenauto kwam aanrijden, dan tien minuten in de woning verbleef, en daarna met post weer vertrok, en dat dit tientallen keren zo gebeurd is;
- dat [appellant] van tijd tot tijd potten verf uit de berging kwam ophalen of verwisselen;
- dat door de neef van [appellant] wel eens feestjes werden gegeven met veel lawaai.
- dat hij voor de gemeente Best onderzoek heeft gedaan naar de woonsituatie van de ex-partner van [appellant] , [voormalige partner van appellant] ;
- dat hij in het kader van dat onderzoek wel eens heeft gezien dat [appellant] ’s morgens vertrok vanuit het huis van [voormalige partner van appellant] , of daar ’s morgens werd opgehaald;
- dat de auto van [appellant] in de periode van zijn onderzoek meestal bij de woning van [voormalige partner van appellant] stond;
- dat hij behoorlijk wat waarnemingen bij de woning van [voormalige partner van appellant] heeft gedaan en bijna elke keer de auto van [appellant] daar aantrof, en vervolgens heeft gewacht tot hij [appellant] zelf zag;
- dat de autoruiten dan beslagen waren, zodat de auto van [appellant] er niet pas net was neergezet;
- dat hij in bepaalde periodes wel een keer of vier per week bij de woning van [voormalige partner van appellant] heeft gekeken;
- dat hij een huisbezoek aan de woning van [voormalige partner van appellant] heeft gebracht, en daar van [appellant] een beveiligingsuniform, zijn paspoort of een beveiligingspas en administratie heeft aangetroffen;
- dat hij daarna met [appellant] naar de door hem gehuurde woning aan de [straatnaam] is gereden en daar oude administratie aantrof en kleding waarvan [appellant] zei dat die kleding van hem was;
- dat hij zijn rapport heeft uitgebracht aan de gemeente Best.