Eiser, eigenaar en bestuurder van meerdere verweven bedrijven, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht van fosfaatafvoer in 2017 onder de Meststoffenwet. De minister handhaafde de boete na bezwaar en eiser ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een overtreding omdat niet alle meststoffen, waaronder fosfaat, correct waren verantwoord. Eiser kon de verschillen in administratie niet verklaren, waardoor de minister terecht van deze gegevens mocht uitgaan. Het feit dat er geen illegale mestafvoer was, doet hieraan niet af.
Daarnaast werd vastgesteld dat eiser als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt. Ondanks zijn stelling dat hij zich alleen met commerciële zaken bezighield, had hij beschikkingsmacht en aanvaardde hij de verantwoordelijkheid voor de mestboekhouding. Vertrouwen op de bedrijfsleider ontsloeg hem niet van deze verantwoordelijkheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete. Er werd geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding opgelegd.