ECLI:NL:RBZWB:2023:7645
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Ponds
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op rechtsverwerking bij executie vonnis incassovordering
Eiser werd bij vonnis van 23 juli 2014 veroordeeld tot betaling van een geldvordering aan de rechtsvoorganger van Intrum. Intrum heeft sindsdien executoriaal beslag gelegd op de bankrekening en uitkering van eiser, waarbij de beslagvrije voet werd vastgesteld. Na het faillissement van de gerechtsdeurwaarder die het dossier beheerde, nam LAVG het dossier over en sloot het op verzoek van de curator, wat bij eiser de indruk wekte dat de vordering niet meer zou worden geïncasseerd.
Eiser stelde een beroep op rechtsverwerking ex artikel 6:2 jo Pro. 6:248 BW, stellende dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat Intrum de vordering niet meer zou incasseren. Intrum voerde verweer dat de sluiting van het dossier slechts administratief was en dat het beslag onverminderd van kracht bleef.
De kantonrechter overwoog dat stilzitten alleen onvoldoende is voor rechtsverwerking en dat de brief en e-mail van LAVG niet duidelijk maakten dat de vordering niet meer werd geïncasseerd. Ook het feit dat eiser meerdere keren om kwijtschelding had verzocht en dit was afgewezen, maakte het onwaarschijnlijk dat Intrum afstand deed van haar vordering. Het beroep op rechtsverwerking slaagde daarom niet en de vorderingen van eiser werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep op rechtsverwerking slaagt niet en de vorderingen van eiser worden afgewezen.