ECLI:NL:RBZWB:2023:7504
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende is eigenaar van een appartement dat zij in 2018 heeft gekocht voor €293.000. De WOZ-waarde van de woning is door de heffingsambtenaar vastgesteld op €360.000 per 1 januari 2020. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de referentiewoningen niet goed vergelijkbaar zijn en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat vergelijkbare woningen in haar complex een lagere WOZ-waarde hebben.
De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gebruikte referentiewoningen vergelijkbaar zijn, mede omdat twee referentiewoningen in hetzelfde appartementencomplex liggen en alle referentiewoningen in dezelfde wijk. De taxateur heeft met een waardematrix rekening gehouden met verschillen in oppervlakte en ligging van parkeerplaatsen. De WOZ-waarde is vastgesteld op basis van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum.
De rechtbank wijst het beroep af omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat belanghebbende de gelijkheid met huurappartementen niet heeft bewezen en de meerderheidsregel niet is geschonden. De WOZ-waarde en de aanslagen voor 2021 blijven gehandhaafd en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €360.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.