Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 2 februari 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,
Inleiding
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres, werkzaam als productiemedewerker, vroeg een Ziektewetuitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 25 november 2020. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij oordeelden dat eiseres vanaf die datum geschikt was om haar eigen arbeid te verrichten. De rechtbank toetste dit besluit aan de hand van medische rapporten en het beroepschrift van eiseres.
De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV concludeerden na onderzoek en beoordeling dat er geen medisch objectiveerbare beperkingen waren die verhinderen dat eiseres haar werk kan uitvoeren. Hoewel eiseres pijnklachten aanvoerde en beperkingen ervoer, vond de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten onvoldoende onderbouwd waren om het oordeel van het UWV te weerleggen.
De rechtbank nam ook kennis van aanvullende medische informatie, waaronder rapporten van een neuroloog en een second opinion, die geen verklaring boden voor de pijnklachten. De lichte aard van het werk en de normale fysieke functies van eiseres ondersteunden het oordeel van het UWV. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de weigering van de Ziektewetuitkering per 25 november 2020.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering per 25 november 2020 wordt bevestigd.