ECLI:NL:RBZWB:2023:6957

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
22-008514 en 22-008515
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 535 lid 1 SvArt. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoekschriften vergoeding schade rijbewijsinhouding

Verzoeker diende verzoekschriften in ex artikelen 530 en 533 Sv voor vergoeding van schade wegens het niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs gedurende 145 dagen en toekomstige schade voor drie maanden, alsmede kosten rechtsbijstand. Dit naar aanleiding van een verdenking van rijden onder invloed waarbij zijn rijbewijs werd ingenomen en uiteindelijk naar de Poolse autoriteiten werd gestuurd.

De officier van justitie stelde dat verzoeker niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de strafzaak nog niet was afgerond. De rechtbank bevestigde dit en constateerde dat verzoeker op 1 augustus 2022 door de politierechter was veroordeeld, waarbij ook een ontzegging van de rijbevoegdheid werd opgelegd. Hierdoor was de zaak niet geëindigd zonder straf of maatregel en kon verzoeker niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoekschriften.

De rechtbank wees tevens op een eigen schadeprocedure bij politie en justitie voor situaties waarin langer dan tien dagen niet over het rijbewijs kon worden beschikt. De beslissing werd op 26 april 2023 uitgesproken door rechter A. Hello in aanwezigheid van griffier M. van Grinsven. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoekschriften tot vergoeding van schade wegens het niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 96-323198-21
rk-nummers: 22-008514 en 22-008515
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 29 april 2022, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen)
woonplaats kiezende ten kantore van mr. C. Stroobach, Verrijn Stuartweg 1 te 1112 AW Diemen.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.450,00, voor vergoeding van schade wegens het niet kunnen beschikken over het rijbewijs voor de duur van 145 dagen;
  • € 900,00, voor vergoeding van toekomstige schade wegens het niet kunnen beschikken over het rijbewijs voor de duur van drie maanden;
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2.175,29, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften dan wel € 680,00 bij behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
  • de beslissing op het klaagschrift van 11 mei 2022;
  • het vonnis van de politierechter van 1 augustus 2022 waarbij verzoeker is veroordeeld;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 13 april 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes gehoord.
Verzoeker en mr. Stroobach zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is in het verzoekschrift aangevoerd dat verzoeker, in verband met een verdenking van rijden onder invloed, op 13 december 2021 zijn rijbewijs aan de politie heeft overhandigd. De officier van justitie heeft op 23 december 2021 besloten het rijbewijs van verzoeker niet langer in te houden, maar door te sturen naar het CBR. Dit omdat er geen adres van verzoeker bekend was volgens de officier van justitie, hetgeen wel degelijk het geval was. Vervolgens is aan verzoeker door het CVOM medegedeeld dat er in eerste instantie geen reden was het rijbewijs te vorderen. Uiteindelijk is op 3 maart 2022 gebleken dat het rijbewijs naar de autoriteiten in Polen is gestuurd en heeft verzoeker zijn rijbewijs nog altijd niet terug. Het rijbewijs van verzoeker had niet mogen worden ingevorderd en van het Openbaar Ministerie had inspanning mogen worden verwacht om het rijbewijs terug te krijgen bij verzoeker. Verzoeker stelt schade te hebben geleden nu hij 145 dagen niet over zijn rijbewijs heeft kunnen beschikken en acht gelet op voorgaande gronden aanwezig aan hem een vergoeding toe te kennen. Verzocht wordt daarom aan hem een vergoeding toe te kennen van € 1.450,00. Daarnaast wordt verzocht om toekenning van toekomstige schade ter hoogte van € 900,00, bestaande uit schade wegens het niet beschikken over het rijbewijs voor de duur van drie maanden, nu verzoeker niet verwacht zijn rijbewijs binnen drie maanden terug te hebben. Voorts heeft verzoeker kosten voor rechtsbijstand gemaakt. Verzocht wordt om hem hiervoor een vergoeding toe te kennen van € 2.175,29, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van de verzoekschriften.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, nu de strafzaak tegen hem nog niet is geëindigd. De behandeling van de zaak staat immers gepland op de politierechterzitting van 1 augustus 2022.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat de zaak tegen verzoeker op het moment van indiening van de verzoekschriften nog niet was geëindigd en dat verzoeker na indiening hiervan bij vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2022 is veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij is aan hem een geldboete opgelegd ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is aan verzoeker een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 180 dagen met aftrek conform artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De zaak is zodoende niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, zodat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschriften. Evenmin doet zich in onderhavige zaak een situatie voor als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 3 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG2191) en 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1056) met betrekking tot het einde van een zaak, zodat verzoeker evenmin via deze weg ontvankelijk kan worden verklaard in zijn verzoekschriften.
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat het niet kunnen beschikken over het rijbewijs gedurende slechts 10 dagen het gevolg is geweest van een strafrechtelijke inhouding. Indien verzoeker meent dat onrechtmatig is gehandeld omdat hij langer dan deze periode niet heeft kunnen beschikken over zijn rijbewijs, merkt de rechtbank op dat politie en justitie daarvoor een eigen schadeprocedure kent.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoekschriften.
Deze beslissing is op 26 april 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).