ECLI:NL:RBZWB:2023:5585
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking Wajong-uitkering wegens niet-melden werkzaamheden in handel nepparfums
Eiseres ontving sinds 2012 een Wajong-uitkering die het UWV per 30 oktober 2019 introk na een onderzoek naar haar vermeende betrokkenheid bij de handel in nepparfums. Dit onderzoek volgde op een melding van het Openbaar Ministerie en leidde tot bevindingen waaronder de vondst van duizenden flesjes nepparfum in een opslagbox, bankpassen en telefoons met belastende gegevens.
Eiseres maakte bezwaar tegen de intrekking en voerde aan dat het bewijs onbetrouwbaar was en dat zij geen arbeidsvermogen had. De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en voldoende feiten had aangedragen die aannemelijk maakten dat eiseres werkzaamheden had verricht en inkomsten had ontvangen. Eiseres had zich beroepen op haar zwijgrecht en onvoldoende tegenbewijs geleverd.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres, waaronder de verklaring van haar oom en haar ontkenning van de eigendom van een telefoon. Ook de getuigenverklaring die belastend was voor eiseres werd niet buiten beschouwing gelaten. De rechtbank concludeerde dat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld zonder nadere inlichtingen van eiseres, die zij niet had verstrekt.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de proceskostenvergoeding en het griffierecht af. De uitspraak bevestigt dat het UWV terecht de uitkering heeft ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet kunnen vaststellen van het recht op uitkering.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft van kracht.