ECLI:NL:RBZWB:2023:5481

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juli 2023
Publicatiedatum
4 augustus 2023
Zaaknummer
10390634 CV EXPL 23-908 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Karsten-Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:30 BWArt. 3:35 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling onverschuldigde betaling wegens niet geleverde auto

Eiser sloot een koopovereenkomst voor een Hyundai Santa Fe met een vennootschap naar Rwandees recht, waarbij het aankoopbedrag van €8.700 aan gedaagde moest worden betaald. Ondanks betaling werd de auto niet geleverd en staakte de vennootschap haar activiteiten.

Eiser vordert terugbetaling van het betaalde bedrag omdat hij stelt dat de betaling onverschuldigd was; hij had geen rechtsverhouding met gedaagde en wist niet dat zijn betaling werd verrekend met een openstaande factuur tussen gedaagde en de vennootschap.

Gedaagde betwist de onverschuldigde betaling en stelt dat het bedrag een deel van haar factuur aan de vennootschap betrof. De kantonrechter oordeelt echter dat eiser onverschuldigd heeft betaald, dat er geen rechtsverhouding tussen eiser en gedaagde bestaat, en dat gedaagde onvoldoende heeft aangetoond dat zij mocht vertrouwen op de betaling ter voldoening van een schuld van de vennootschap.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van €8.700 met wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €8.700 met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10390634 \ CV EXPL 23-908
Vonnis van 19 juli 2023
in de zaak van
[eiser01],
te [plaats01] (Republiek Rwanda),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser01] ,
gemachtigde: mr. K. Tjoa,
tegen

1.[gedaagde01] V.O.F.,

te [plaats02] ,
2.
[gedaagde02],
te [plaats03] ,
3.
[gedaagde03],
te [plaats04] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden01] ,
gemachtigde: mr. F.C.H. Blom (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.),

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 april 2023
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Tussen partijen staan de volgende feiten – voor zover relevant – vast:
[eiser01] , woonachtig in Rwanda, heeft op 4 februari 2022 met een vennootschap naar Rwandees recht, [bedrijf01] Ltd, een koopovereenkomst gesloten voor een Hyundai Santa Fe voor een bedrag van € 8.700,00;
[bedrijf01] en [eiser01] zijn mondeling overeengekomen dat het aankoopbedrag voor de auto van € 8.700,00 overgemaakt zou worden aan [gedaagden01] ;
op 4 februari 2022 heeft [eiser01] een bedrag van € 8.700,00 betaald op [rekeningnummer01] ten name van [gedaagden01] Breda met [omschrijving01] ;
in de koopovereenkomst is opgenomen dat de auto binnen drie maanden na de betaling geleverd zou worden aan [eiser01] .
de gekochte auto is niet geleverd aan [eiser01] ;
[bedrijf01] heeft haar activiteiten feitelijk gestaakt, de kantoren zijn leeggeruimd en personeelsleden hebben elders werk gevonden in ieder geval vanaf januari 2023;
[eiser01] heeft bij brief van 4 januari 2023 [gedaagden01] verzocht het betaalde bedrag van € 8.700,00 terug te betalen:
: “(…)Het bedrijf van de heer [naam01] is in gebreke gebleven deze auto aan cliënt te leveren. Cliënt maakt daarom aanspraak op terugstorting van voormeld aan u in bewaring gegeven bedrag. (…)”
[gedaagden01] heeft op 5 januari 2023 als volgt op deze brief gereageerd per e-mailbericht:
“(…) Uw cliënt heeft het bedrag niet in bewaring gegeven aan ons. Het geld heeft hij overgemaakt ter nakoming van een verbintenis tot betaling van een bedrag die de heer [naam01] had naar aanleiding van een koopovereenkomst van een auto. Dit blijkt ook uit de omschrijving van de overboeking. Derhalve betwisten wij dat uw cliënt ooit geld aan ons in bewaring heeft gegeven. (…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser01] vordert een bedrag van € 8.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2023 tot de dag van volledige voldoening en de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.
3.2.
[eiser01] legt aan zijn vordering ten grondslag dat door hem een bedrag van € 8.700,00 onverschuldigd is betaald aan [gedaagden01] . Mondeling is tussen [bedrijf01] en [eiser01] afgesproken dat [eiser01] het aankoopbedrag voor de auto zou overmaken naar het rekeningnummer van [gedaagden01] . Daarbij was [eiser01] in de veronderstelling dat dit was ter voldoening van de koopsom. Het was hem niet bekend dat deze betaling werd verrekend met een openstaand bedrag van een factuur van [gedaagden01] aan [bedrijf01] . Hij kon en hoefde hier ook niet van op de hoogte te zijn. Dat hij wist dat [gedaagden01] auto’s leverde aan [bedrijf01] maakt dit niet anders zo stelt [eiser01] . Verder voert [eiser01] aan dat er nooit contact is geweest tussen hem en [gedaagden01] . Er bestaat dan ook geen rechtsverhouding tussen [eiser01] en [gedaagden01] .
3.3.
[gedaagden01] voert verweer. Zij stelt allereerst dat [eiser01] zich tot de verkeerde partij heeft gewend. Zij betwist dat het bedrag van € 8.700,00 onverschuldigd is betaald door [eiser01] . Zij voert daartoe aan dat dit bedrag is betaald ter voldoening van (een deel van) haar factuur van 12 februari 2022 aan [bedrijf01] . Op deze factuur (productie 2) is te zien op welke data welke bedragen zijn betaald door [eiser01] en andere klanten van [bedrijf01] . Dat [eiser01] de aankoopsom van de auto zonder verdere navraag bij [bedrijf01] heeft betaald aan [gedaagden01] , moet dan ook voor rekening en risico van [eiser01] komen. Dit maakt dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling en de vordering moet worden afgewezen. Verder heeft [gedaagden01] toegelicht in het verleden verschillende overeenkomsten te hebben gesloten met [bedrijf01] , onder andere op 12 februari 2022. [gedaagden01] heeft diverse Toyota’s verkocht aan [bedrijf01] en deze vervolgens geëxporteerd naar Rwanda.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van dat [eiser01] zich tot de verkeerde partij heeft gewend. [eiser01] stelt immers dat hij een bedrag aan [gedaagden01] onverschuldigd heeft betaald en niet dat hij aan [bedrijf01] een bedrag onverschuldigd heeft betaald. Dit betoog slaagt daarom niet.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser01] € 8.700,00 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagden01] . Daarom is [gedaagden01] gehouden een gelijk bedrag terug te betalen aan [eiser01] . Dit betekent dat de kantonrechter de vordering toewijst. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
4.3.
Vast staat dat [eiser01] zonder rechtsgrond € 8.700,00 naar de bankrekening van [gedaagden01] heeft overgemaakt en dat dit bedrag door [gedaagden01] is ontvangen. Ook is vast komen te staan er geen sprake is van cessie van de vordering. Dat tussen [bedrijf01] en [eiser01] is afgesproken dat de betaling van de koopsom van de auto aan [gedaagden01] moest worden betaald, maakt niet dat er tussen
[eiser01] en [gedaagden01] een rechtsverhouding is ontstaan. [eiser01] en [gedaagden01] hebben bovendien nooit contact met elkaar gehad. Weliswaar had het op de weg van [eiser01] gelegen om kritische vragen te stellen over de opdracht van [bedrijf01] om de koopsom van de auto aan [gedaagden01] te voldoen, echter maakt dit niet dat er tussen [eiser01] en [gedaagden01] een rechtsverhouding is ontstaan. De kantonrechter is met [eiser01] van oordeel dat hij niet wist en ook niet kon weten dat zijn betaling verrekend zou worden met een openstaande factuur van [gedaagden01] aan [bedrijf01]
4.4.
Ook van nakoming door een ander in de zin van artikel 6:30 BW Pro, zoals ter zitting is besproken, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Op grond van dit artikel kan een schuld niet alleen door de schuldenaar zelf maar ook door een derde worden voldaan. De derde moet zich ervan bewust zijn dat de verbintenis rust op een ander dan hemzelf en beogen die verbintenis te voldoen. Een dergelijke nakoming door een derde bevrijdt de schuldenaar. De schuldenaar wordt op grond van artikel 3:35 BW Pro ook bevrijd indien de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de derde de bedoeling had – ook al had hij die niet – om de schuld van de ander te voldoen.
4.5.
Niet is gebleken dat [eiser01] wist dat door zijn betaling aan [gedaagden01] feitelijk een deel van de factuur werd betaald die [bedrijf01] nog aan [gedaagden01] moest voldoen. Ook in de overeenkomst tussen [eiser01] en [bedrijf01] is dit niet expliciet opgenomen. Bovendien heeft [gedaagden01] onvoldoende (gemotiveerd) gesteld en onderbouwd dat zij erop mocht vertrouwen dat [eiser01] met zijn betaling de bedoeling had om de schuld van [bedrijf01] te voldoen.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser01] het bedrag van € 8.700,00 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagden01] en dat dit gevorderde bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling zal eveneens worden toegewezen.
4.7.
[gedaagden01] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser01] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
143,60
- griffierecht
244,00
- salaris gemachtigde
660,00
(2,00 punten × € 330,00)
Totaal
1.047,60
4.8.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden01] om aan [eiser01] te betalen een bedrag van € 8.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 januari 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden01] Breda V.O.F., [gedaagde02] en [gedaagde03] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser01] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.047,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.