Eiseres ontving sinds mei 2019 een bijstandsuitkering en werd verdacht van het verrichten van werkzaamheden als masseuse tijdens coronamaatregelen, wat leidde tot een onderzoek door het college. Door het niet tijdig aanleveren van bewijsstukken trok het college de uitkering in en vorderde de teveel betaalde bijstand terug.
Eiseres betwistte de beschuldigingen en voerde aan dat zij geen werkzaamheden had verricht en dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde om het vermoeden van het college te weerleggen en dat de inlichtingenplicht was geschonden.
De rechtbank verwierp het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen vanwege gebrek aan onderbouwing. Ook werden aanvullende beroepsgronden die laat werden ingediend buiten beschouwing gelaten vanwege procesorde.
Uiteindelijk bevestigde de rechtbank de intrekking van de bijstand over de relevante periodes en de terugvordering van het bedrag van €24.496,90, en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.