ECLI:NL:RBZWB:2023:4606
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting hotel
Belanghebbende, gebruiker van een hotel met 35 kamers gelegen aan de kust, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van €1.913.000 per 1 januari 2019 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2020. De heffingsambtenaar baseerde de waardebepaling op een taxatierapport van juni 2021 en het verkoopcijfer van de onroerende zaak, die in februari 2019 voor €2.900.000 inclusief overdrachtsbelasting werd verkocht.
Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de negatieve gevolgen van de coronapandemie, maar de rechtbank oordeelde dat deze niet relevant zijn omdat de waardepeildatum vóór het uitbreken van de pandemie ligt. Ook het verkoopcijfer werd als een sterke aanwijzing gezien dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
De rechtbank vond dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde meer dan €825.000 afwijkt van de koopsom na aftrek van overdrachtsbelasting. Verder aangevoerde bezwaren tegen de gehanteerde kapitalisatiefactor en leegstandsrisico konden het oordeel niet wijzigen.
Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de vergoeding aan de gemachtigde toekomt en belanghebbende de aanslag al had voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.