ECLI:NL:RBZWB:2023:4581
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffing omzetbelasting wegens herziening na levering studentencomplex
Belanghebbende, een projectontwikkelingsvennootschap, maakte bezwaar tegen de naheffing van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019. Het geschil betreft de herziening van de voorbelasting op een studentencomplex dat eerst vrijgesteld werd verhuurd en later door een verbonden vennootschap werd geleverd met omzetbelasting.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 37d van de Wet OB omdat de levering door een andere vennootschap is gedaan en dat deze kwestie niet in deze procedure aan de orde kan komen. Tevens is het beroep van belanghebbende op een andere berekeningsmethode (pro rata methode) voor de herziening niet gegrond.
De rechtbank bevestigt dat de inspecteur de herziening juist heeft berekend op basis van tijdsgelang, uitgaande van het jaar van ingebruikname en de negen daaropvolgende boekjaren. De naheffing is daarmee terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van omzetbelasting, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffing omzetbelasting wegens herziening wordt ongegrond verklaard.