ECLI:NL:RBZWB:2023:3423

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
19 mei 2023
Zaaknummer
BRE-23_2573
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar parkeerbelasting met toekenning dwangsom en rente

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. De rechtbank constateert dat de beslistermijn van zes weken, die uiterlijk op 30 januari 2023 verliep, is overschreden. Na ingebrekestelling op 22 februari 2023 is nog steeds geen besluit genomen.

De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De reeds verschuldigde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442.

Verder wijst de rechtbank de wettelijke rente toe over de dwangsom vanaf 14 juni 2023 indien betaling niet tijdig plaatsvindt. Ook wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €50 en proceskosten van €418,50 aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 mei 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de heffingsambtenaar moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom van €1.442 betalen plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 21 december 2022, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Belanghebbende heeft op 7 november 2022 de naheffingsaanslag ontvangen. De heffingsambtenaar moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [2] De heffingsambtenaar had in dit geval uiterlijk op 30 januari 2023 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen is inmiddels voorbij. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 22 februari 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd?
4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Belanghebbende heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
6.1.
De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.
6.2.
Belanghebbende vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. De heffingsambtenaar moest de dwangsom uiterlijk op 3 mei 2023 vaststellen en moet deze uiterlijk op 14 juni 2023 aan belanghebbende betalen. Voor het geval betaling niet tijdig plaatsvindt, bepaalt de rechtbank datde heffingsambtenaar de wettelijke rente moet betalen vanaf 14 juni 2023 tot de datum waarop alles is betaald.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de heffingsambtenaar al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar om – indien betaling van de dwangsom niet tijdig plaatsvindt – de wettelijke rente over dit bedrag aan belanghebbende te betalen, vanaf 14 juni 2023 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • beslist dat voor zover de toegekende dwangsom, de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 19 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.