Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[gedaagde in conventie sub 1] ,
2.
[gedaagde in conventie sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
6.3
voor akkoord” mede ondertekend door [gedaagde in conventie sub 2] . [gedaagde in conventie sub 2] is onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met [gedaagde in conventie sub 1] . Samen met hun meerderjarige zoon zijn zij blijven wonen in de woning gelegen aan de [adres 1] .
Bij geen akkoord – vernietiging koopovereenkomst
3.Het geschil
4.De beoordeling
louterprocessuele gronden, en dus niet (ook) op materiële gronden, niet-toewijsbaar wordt geacht. Daarbij gaat het om de vraag of voor een volledige proceskostenvergoeding een vordering in reconventie benodigd is. De rechtbank overweegt dat haar oordeel over de proceskosten onderdeel uitmaakt van het geding in conventie en dat het niet noodzakelijk is daarvoor een vordering in reconventie in te stellen. Uit hetgeen is overwogen in conventie volgt dat een volledige proceskostenveroordeling in conventie niet toewijsbaar is op materiële gronden. De voorwaarde is daarom niet vervuld. De vordering in voorwaardelijke reconventie van [eiser in reconventie sub 2] behoeft daarom evenmin bespreking.