ECLI:NL:RBZWB:2023:3121
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring bezwaren huishoudelijke hulp en immateriële schadevergoeding
Eiseres maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Breda over de toekenning en beëindiging van huishoudelijke hulp voor afgesloten periodes.
Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de besluiten betrekking hadden op verstreken perioden. Eiseres voerde onder meer onbehoorlijk bestuur aan en stelde dat het college bewust had gewacht met besluiten om bezwaren niet-ontvankelijk te kunnen verklaren, maar deze stellingen werden niet geaccepteerd.
De rechtbank oordeelde dat de hoofdregel geldt dat geen procesbelang bestaat bij beoordeling van besluiten over afgesloten indicaties, tenzij aannemelijk is dat een inhoudelijk oordeel van belang is voor toekomstige indicaties, wat hier niet het geval was.
Daarnaast werd beoordeeld of er recht was op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor twee beroepen was de termijn korter dan twee jaar, dus geen vergoeding. Voor één beroep was de termijn met zes maanden overschreden, waarvoor een vergoeding van € 500 werd toegekend.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, veroordeelde het college tot betaling van de schadevergoeding en het griffierecht aan eiseres, en wees op de mogelijkheid van mediation en hoger beroep.
Uitkomst: De beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring worden ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500 in één zaak.