ECLI:NL:RBZWB:2023:2751
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens gebrekkige onderbouwing en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2020 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €187.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat deze op €165.000 moet worden vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaaft echter de oorspronkelijke waarde en baseert zich op een taxatierapport.
De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, omdat de gehanteerde indexeringspercentages niet inzichtelijk zijn gemaakt en de taxatiematrix gebrekkig is onderbouwd. Belanghebbende slaagt er evenmin in de lagere waarde aannemelijk te maken. Daarom stelt de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €178.000.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met 14 maanden is overschreden. De rechtbank kent op basis daarvan een immateriële schadevergoeding toe van €150,--, waarvan €21,43 voor rekening van de heffingsambtenaar komt en €128,57 voor rekening van de Staat der Nederlanden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig, en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: WOZ-waarde woning verminderd naar €178.000 en immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.