ECLI:NL:RBZWB:2023:2600

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
BRE-22_4960
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak inzake dwangsom en proceskostenvergoeding in belastingzaak

Op 14 april 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een verzetprocedure van de inspecteur van de Belastingdienst tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022. In die eerdere uitspraak werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de rechtbank niet tijdig had beslist op het ingediende bezwaar betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. De rechtbank had de inspecteur opgedragen om binnen vier weken een beslissing te nemen op het verzoek om ambtshalve vermindering en had een dwangsom van € 1.442 opgelegd voor het niet tijdig beslissen.

In het verzet betoogde de inspecteur dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en dat de proceskostenvergoeding onterecht was toegekend. Ook werd aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom had opgelegd, omdat een bezwaar pas als verzoek om ambtshalve vermindering kan worden aangemerkt nadat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur gelijk had en dat de dwangsom ten onrechte was opgelegd, omdat het bezwaar van belanghebbende niet als een verzoek om ambtshalve vermindering kon worden aangemerkt voordat het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard.

De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en vernietigde de eerdere uitspraak voor zover deze de proceskostenvergoeding en de dwangsom betrof, maar handhaafde de uitspraak voor het overige. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4960

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2023 op het verzet van

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur

met betrekking tot het beroep van

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde])

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaar betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer]H.06.01.
Bij uitspraak van 22 december 2022 heeft de rechtbank onder meer dat beroep gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 31 maart 2023 op zitting behandeld. Namens de inspecteur is [inspecteur] verschenen. Namens belanghebbende is haar gemachtigde verschenen.

Overwegingen

De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. De rechtbank heeft het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard, wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De inspecteur is opgedragen om binnen vier weken na de datum van de beslissing om verzoeken als die van belanghebbende al dan niet aan te wijzen als massaal bezwaar plus, alsnog een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering te nemen, waarbij de termijn om te beslissen wordt opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak wordt gedaan als de aanwijzing voor het verzoek van belanghebbende geldt. Verder is bepaald dat de inspecteur een dwangsom verschuldigd wordt als niet binnen de door de rechtbank bepaalde termijn wordt beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank heeft de door de inspecteur te betalen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering vastgesteld op € 1.442. Daarnaast is de inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden en is de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Beoordeling van het verzet

De inspecteur voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en daarom ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Daarnaast stelt de inspecteur dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat recht bestaat op een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Volgens de inspecteur kan een (niet tijdig) bezwaar pas aangemerkt worden als een verzoek om ambtshalve vermindering op het moment dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de termijn voor het doen van uitspraak op het verzoek om ambtshalve vermindering pas gaat lopen op het moment van de uitspraak van de rechtbank waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Voor het overige zijn partijen het eens met de uitspraak van de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt.
Proceskostenvergoeding
Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte een proceskostenvergoeding is toegekend aan belanghebbende. In zoverre is het verzet gegrond.
Dwangsom
Door de rechtbank is een dwangsom vastgesteld in verband met het niet tijdig beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank heeft het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en geoordeeld dat de termijn om daarop te beslissen is verstreken.
Dit is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte. Uit de stukken van het geding volgt dat belanghebbende (enkel) bezwaar heeft gemaakt en niet (tevens) heeft verzocht om ambtshalve vermindering. Derhalve hoefde de inspecteur (enkel) op dat bezwaar te beslissen. Er bestaat immers geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat een bezwaarschrift tevens een verzoek om ambtshalve vermindering is. Wel is in paragraaf 8, lid 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht bepaald dat in alle gevallen waarin een bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, het voor zover mogelijk ambtshalve in behandeling wordt genomen. Op grond van deze regeling is voor het in aanmerking nemen van een bezwaar als een verzoek om ambtshalve vermindering dus pas aanleiding nadat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. In dit geval is de beslissing dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, genomen door de rechtbank, in de buitenzitting-uitspraak van 22 december 2022. Pas op dat moment bestaat aanleiding voor het in aanmerking nemen van het bezwaar als een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank heeft in de buitenzitting-uitspraak de inspecteur opgedragen om binnen vier weken na de datum van de beslissing om verzoeken als die van belanghebbende al dan niet aan te wijzen als massaal bezwaar plus, alsnog een beslissing te nemen op het verzoek, waarbij de termijn om te beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering wordt opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop een collectieve uitspraak wordt gedaan, als de aanwijzing voor het verzoek van belanghebbende is aan te wijzen als massaal bezwaar plus. Dit betekent dat de termijn voor het doen van uitspraak door de inspecteur niet overschreden is. De rechtbank heeft daarom ten onrechte een dwangsom toegekend.
Nu het verzet zich enkel richt tegen de toegekende proceskostenvergoeding en de vastgestelde dwangsom, bestaat geen aanleiding voor het vervallen verklaren van andere delen van de buiten-zittinguitspraak. De uitspraak blijft derhalve voor het overige in stand.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022 voor zover daarin is beslist tot veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 379,50 en vaststelling van de door de inspecteur te betalen dwangsom van € 1.442 wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering;
- handhaaft de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022 voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 14 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Verzet
Tegen de uitspraak op verzet staat geen rechtsmiddel open (artikel 28, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Beroep
Tegen de uitspraak op beroep kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.