Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:1845

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2023
Publicatiedatum
20 maart 2023
Zaaknummer
BRE 21/5742 en 21/5743
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 27h, derde lid AWRArtikel 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling nihil voordeel sparen en beleggen en vermindering aanslag IB/PVV 2017 en 2018

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 en 2018, inclusief de belastingrente.

Tijdens de zitting op 24 februari 2023 hebben partijen gezamenlijk het standpunt ingenomen dat het voordeel uit sparen en beleggen voor belanghebbende en zijn partner voor beide jaren nihil moet worden vastgesteld, waarmee voldoende rechtsherstel wordt geboden. De overige geschilpunten zijn ingetrokken. De rechtbank volgt dit standpunt en stelt de aanslagen overeenkomstig vast.

De rechtbank handhaaft de aanslag en belastingrente 2017 zoals vastgesteld door de inspecteur op 30 september 2022 en vermindert de aanslag en belastingrente 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van €59.291 en een nihil voordeel uit sparen en beleggen. Tevens veroordeelt de rechtbank de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €17,60 aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, stelt het voordeel uit sparen en beleggen voor 2017 en 2018 op nihil, vermindert de aanslag 2018 en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/5742 en 21/5743
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur die betrekking hebben op de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 en 2018, en de bij die aanslagen in rekening gebrachte belastingrente.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2017 op 27 december 2021 om 12:48 uur op digitale wijze een beroepschrift ingediend. Tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 heeft belanghebbende op 27 december 2021 om 14:48 uur digitaal beroep ingesteld.
1.3.
De griffier heeft voor de beroepen tweemaal € 49 aan griffierechten van belanghebbende geheven.
1.4.
Vervolgens heeft belanghebbende de rechtbank verzocht [1] om de besluiten te beoordelen die de inspecteur ten aanzien van die aanslagen heeft genomen naar aanleiding van de collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure [2] , waarbij de inspecteur het inkomen uit sparen uit beleggen voor het jaar 2017 heeft verminderd naar nihil en voor het jaar 2018 heeft gehandhaafd.
1.5.
Op 24 februari 2023 heeft de rechtbank de beroepen op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur].
1.6.
Op voornoemde zitting is gelijktijdig het beroep van belanghebbende
tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2019 behandeld.
1.7.
Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank een afschrift op 3 maart 2023 aan partijen heeft toegestuurd.

2.Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Partijen hebben zich ter zitting gezamenlijk op het standpunt gesteld dat het voordeel uit sparen en beleggen van belanghebbende en zijn partner voor de jaren 2017 en 2018 moet worden vastgesteld op nihil en daarmee voldoende rechtsherstel wordt geboden. De overige geschilpunten zijn voor de jaren 2017 en 2018 op de zitting ingetrokken. De rechtbank zal de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 overeenkomstig de standpunten van partijen vaststellen. Voor het jaar 2017 betekent dit dat de aanslag zoals deze nader is vastgesteld door de inspecteur op 30 september 2022 gehandhaafd blijft.
2.2.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank handhaaft voor het jaar 2017 de beschikking belastingrente zoals deze nader is vastgesteld door de inspecteur op 30 september 2022 en vermindert voor het jaar 2018 het bedrag aan belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag IB/PVV 2018.
2.3.
Ter zitting is besproken dat het voorgaande er toe leidt dat de beroepen gegrond zijn. De rechtbank zal aldus beslissen. De rechtbank vindt daarom aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Conform hetgeen ter zitting daarover is besproken, stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 17,60.
2.4.
Ten aanzien van de door belanghebbende betaalde griffierechten voor de beroepen overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende heeft voor beide zaken een apart beroepschrift ingediend. Die beroepschriften zijn weliswaar op dezelfde dag maar niet (nagenoeg) gelijktijdig bij de rechtbank binnengekomen. Gelet op het voorgaande wordt niet voldaan aan de vereisten om als samenhangende beroepen te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 8:41 van Pro de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom terecht meermaals griffierecht ter zake van de beroepen geheven. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, dient de inspecteur het voor deze beroepen betaalde griffierecht te vergoeden.

3.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • handhaaft de aanslag IB/PVV 2017 en de beschikking belastingrente zoals deze nader zijn vastgesteld door de inspecteur op 30 september 2022;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.291 en een voordeel uit sparen en beleggen van nihil, en vermindert de daarbij behorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 98 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 17,60 proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 20 maart 2023, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Gelet op Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718.
2.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.