Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
Ondergetekende, mevrouw [naam 1], van [land] nationaliteit, geboren
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is voor een vijfde deel gerechtigd tot onroerend goed in het buitenland uit de nalatenschap van haar vader. Voor het jaar 2017 heeft zij aangifte gedaan met een aandeel in het onroerend goed van €120.000 en een inkomen uit sparen en beleggen van €3.242. De inspecteur legde een aanslag op met een grondslag in box 3 van €23.866, waarbij een schuld ter voorkoming van dubbele belasting werd meegenomen.
Belanghebbende stelde dat op het onroerend goed een schuld rust van ruim 1,9 miljoen buitenlandse valuta, onderbouwd met een Franse apostille waarin een derde verklaart dat haar overleden echtgenoot dit bedrag aan de vader van belanghebbende heeft geleend. De inspecteur betwistte het bestaan van deze schuld, stellende dat het stuk slechts een eenzijdige verklaring is.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan van de schuld bij belanghebbende ligt. Gezien het hoge bedrag had verwacht mogen worden dat er meer schriftelijke bewijsstukken zouden zijn, zoals bewijs van rente, aflossing of betalingswijzen. Een eenzijdige verklaring is onvoldoende. Ook het beroep op het Apostilleverdrag leidt niet tot het aanvaarden van de apostille als sluitend bewijs.
Daarom is de schuld niet aannemelijk gemaakt en wordt deze niet in mindering gebracht op het vermogen in box 3. Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard, met als gevolg dat zij geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en neemt de schuld niet in aanmerking bij de berekening van het vermogen in box 3.