Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ',
[gedaagde sub 2],
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 februari 2023;
- de pleitnota van [eiseres] ;
- de pleitnota van [gedaagden] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres trad op 1 september 2022 in dienst bij gedaagden voor bepaalde tijd tot 31 maart 2023. In november 2022 ontstonden gesprekken over fysieke klachten van eiseres, waarna zij op 16 december afscheid nam en niet meer op het werk verscheen. Gedaagden stelde dat de arbeidsovereenkomst per 16 december was geëindigd, terwijl eiseres stelde dat zij niet rechtsgeldig had opgezegd en dat gedaagden haar niet had geïnformeerd over de gevolgen van opzegging.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was beëindigd omdat gedaagden niet had voldaan aan haar onderzoeksplicht en de plicht tot voorlichting over de gevolgen van opzegging. Tevens was onvoldoende gebleken dat eiseres bij indiensttreding ongeschikt was voor haar functie, zodat loondoorbetaling tijdens ziekte niet was uitgesloten.
Daarom werd gedaagden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 januari 2023 tot het einde van de arbeidsovereenkomst uiterlijk 31 maart 2023, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. De proceskosten werden aan de zijde van eiseres vastgesteld en gedaagden werd veroordeeld deze te betalen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig geëindigd en werkgever is veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 1 januari 2023 tot uiterlijk 31 maart 2023.