Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 3 maart 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen per 24 februari 2021. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 12,59%, wat onvoldoende is voor een uitkering. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van medische rapporten en arbeidsdeskundige onderzoeken.
De medische beoordeling, uitgevoerd door een primaire arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, concludeerde dat eiser beperkingen heeft, maar niet in die mate dat hij geen passend werk kan verrichten. De verzekeringsarts b&b nam uitgebreide medische informatie in overweging, waaronder psychische en fysieke klachten, medicatiegebruik en functionele mogelijkheden, en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op.
Eiser voerde aan dat zijn beperkingen onderschat zijn, onder meer door taalbarrières en stressgevoeligheid, en verzocht om een onafhankelijk medisch onderzoek. De rechtbank oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de FML een juiste weergave van zijn belastbaarheid geeft.
De arbeidsdeskundige stelde vast dat eiser geschikt is voor meerdere functies, ondanks de taalbarrière en andere bezwaren. De rechtbank vond dat de functies passend zijn en dat de berekende mate van arbeidsongeschiktheid van 12,59% juist is. Omdat deze onder de 35% ligt, is de weigering van de WIA-uitkering terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 12,59%, onvoldoende voor een WIA-uitkering.