ECLI:NL:RBZWB:2022:84

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 januari 2022
Publicatiedatum
11 januari 2022
Zaaknummer
BRE-20_5299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArtikel 28 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet-betaling griffierecht gegrond verklaard

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen belastingaanslagen, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze uitspraak en overlegde bewijsstukken dat het griffierecht tijdig was voldaan.

Tijdens de zitting en na overleg van aanvullende bewijsstukken bleek dat het griffierecht op tijd was betaald, maar de betaling was automatisch teruggestort vanwege openstaande vorderingen in afwachting van een verzoek om vrijstelling wegens betalingsonmacht. Deze omstandigheid kon belanghebbende niet worden aangerekend.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en verklaarde het verzet gegrond. De eerdere uitspraak kwam te vervallen en de beroepsprocedures werden voortgezet. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het verzet.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de beroepsprocedures worden voortgezet; de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/5299 tot en met 20/5301
uitspraak van 10 januari 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 13 november 2020, verzonden op 26 november 2020.

1.Behandeling van het verzet

1.1.
Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank zijn de beroepen van belanghebbende (met bovengenoemde zaaknummers) met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het niet betalen van het griffierecht.
1.2.
Bij brief van 31 december 2020 heeft belanghebbende verzet gedaan tegen deze uitspraak.
1.3.
Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft via beeldverbinding ‘online’ plaatsgevonden op 29 november 2021. Aldaar is verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende mr. D.A.N. Bartels, verbonden aan Bartels Consultancy te Utrecht.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld nadere bewijsstukken ter zake van de betaling van het griffierecht te overleggen. Deze stukken zijn op 1 december 2021 door de rechtbank ontvangen en doorgezonden aan de heffingsambtenaar.
1.5.
De rechtbank heeft bij brief van 21 december 2021 aan partijen medegedeeld het onderzoek te hervatten en dat zij het niet nodig acht om in deze zaak opnieuw zitting te houden, tenzij partijen anders aangeven, hetgeen niet is gebeurd.

2.Feiten en de gronden van het verzet

2.1.
De beroepschriften van belanghebbende zijn op 13 maart 2020 ontvangen ter griffie van de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft de indiener erop gewezen dat voor het instellen van het beroep een griffierecht is verschuldigd per beroepschrift ten bedrage van € 48.
2.2.
Bij brief van 16 april 2020 heeft de gemachtigde een verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht in verband met betalingsonmacht.
2.3.
De gemachtigde is bij aangetekende brieven van 17 april 2020 in de gelegenheid gesteld om het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen. Bij brieven van 17 april 2020, binnengekomen bij de rechtbank op 21 april 2020, heeft de gemachtigde gereageerd met een draagkrachtverklaring van zijn eigen kantoor. Bij aangetekende brieven van 7 mei 2020 is de gemachtigde opnieuw in de gelegenheid gesteld om het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen, waarbij specifiek is aangegeven dat de gegevens moeten zien op belanghebbende zelf. Omdat er geen reactie is ontvangen is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 2 juni 2020 afgewezen en is de gemachtigde opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
2.4.
Bij aangetekende brieven van 3 juli 2020 is de gemachtigde opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
2.5.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank zijn de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
2.6.
De gronden waarop het verzet van belanghebbende baseert staan vermeld in het verzetschrift. Ter zitting heeft de gemachtigde daaraan nog het volgende – zakelijk weergegeven – toegevoegd: Het griffierecht heb ik op 9 mei 2020 voldaan, waarvan ik bewijsstukken kan overleggen. Deze zal ik na de zitting toezenden.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
Belanghebbende is voor de ingestelde beroepen driemaal € 48 aan griffierecht verschuldigd [1] . Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort [2] . Indien het griffierecht niet binnen de door de griffier gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest [3] .
3.2.
Uit de door gemachtigde in verzet overgelegde stukken volgt dat de gemachtigde het verschuldigde griffierecht op 9 mei 2020 heeft betaald. De betalingen die zijn gedaan zijn echter automatisch teruggestort, omdat openstaande vorderingen gesloten waren in afwachting van de beoordeling van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Deze omstandigheid kan belanghebbende niet worden aangerekend.
3.3.
Nu is gebleken dat het griffierecht voorafgaand aan het verlopen van de daarvoor gestelde termijn is betaald, is het beroep ten onrechte op grond van het niet betalen van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is daarom gegrond. De in verzet bestreden uitspraak van de rechtbank komt te vervallen. De beroepsprocedures worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van die uitspraak.
3.4.
De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken [4] . Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 270,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en een 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 0,5) voor beide zaken gezamenlijk, nu de zaken als samenhangend moeten worden aangemerkt.

4.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van verzet van belanghebbende van € 270,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 10 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open (artikel 28, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

Voetnoten

1.Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb
2.Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb
3.Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb
4.Hoge Raad 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:BL3600