Veroordeelde is op 1 april 2022 door middel van een strafbeschikking veroordeeld wegens medeplichtigheid aan witwassen, waarbij een taakstraf van 50 uren en een schadevergoeding van €4.951,48 is opgelegd. Naar aanleiding van deze veroordeling is op 5 mei 2022 een bevel gegeven tot afname van DNA-materiaal, waaraan veroordeelde op 17 mei 2022 heeft voldaan.
Veroordeelde maakte bezwaar tegen de afname en verwerking van haar DNA-materiaal en verzocht de rechtbank het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het afgenomen DNA-materiaal te vernietigen. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond moest worden verklaard omdat de wet de afname van DNA verplicht stelt, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.
De rechtbank heeft het bezwaarschrift inhoudelijk beoordeeld en oordeelde dat de uitzonderingsgrond uit artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet van toepassing is. De aard van het misdrijf (witwassen) maakt DNA-onderzoek relevant voor opsporing en vervolging. Daarnaast zijn er geen objectief waardeerbare omstandigheden die het geringe recidiverisico rechtvaardigen om afname te weigeren.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar ongegrond is en verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.