Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
- [zoon 1] (zoon 1);
- [zoon 2] (zoon 2);
- [kleinkind 1] (kleinkind 1);
- [kleinkind 2] (kleinkind 2).
inspecteur van de belastingdienst, belast met de heffing van erfbelasting, over de voldoening en eventueel vermindering van de verschuldigde erfbelasting. Basis voor dit contact is de constatering dat de WOZ-waarde van de woning ten tijde van het overlijden van mevrouw [nabestaande] mogelijk te hoog was vastgesteld, hetgeen de hoogte van de verschuldigde erfbelasting beïnvloedt.
heffingsambtenaar, waaronder ook via schriftelijke verzoeken. Het voor deze procedure relevante verzoek is ingediend op 27 december 2019.
3.Beoordeling door de rechtbank
- dat het beroep ten onrechte bij de rechtbank is geregistreerd als zijnde op naam van de heer [executeur] als belanghebbende;
- dat het verzoekschrift, het bezwaarschrift en het beroepschrift geacht worden te zijn ingediend namens vier belanghebbenden, namelijk elk van de vier erfgenamen van mevrouw [nabestaande], tezamen aangeduid als ‘[belanghebbende]’;
- dat de heer [executeur] in deze fiscale procedure als gemachtigde optreedt namens belanghebbenden en dat hij daarbij wordt bijgestaan door mevrouw [gemachtigde].
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt de heffingsambtenaar op een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, Wet WOZ voor het jaar 2010 te geven, met de tenaamstelling ‘[belanghebbende]’, en te adresseren op het adres [adres 1], [postcode 1], [plaats 1];
- voordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.056 aan proceskosten aan belanghebbenden;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 48 aan belanghebbenden moet vergoeden.