ECLI:NL:RBZWB:2022:778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
AWB- 20_9576
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:1a AwbArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid bevestigd

Eiser, werkzaam als triage audicien, viel in augustus 2017 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde in juli 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, wat door de rechtbank in 2021 werd bevestigd. Na werkloosheid meldde eiser zich in september 2019 opnieuw ziek en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend vanaf december 2019.

In juli 2020 verklaarde het UWV eiser weer geschikt voor zijn eigen werk en beëindigde de ZW-uitkering. Eiser maakte bezwaar tegen deze hersteldverklaring en stelde dat zijn medische situatie niet goed was beoordeeld, onder meer vanwege zijn cluster C persoonlijkheidsstoornis en medicatiegebruik.

De rechtbank oordeelde dat de hersteldverklaring geen besluit is in de zin van de Awb, maar het daaropvolgende besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wel. Het medisch onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige was zorgvuldig en toonde aan dat eiser geschikt is voor functies zoals montagemedewerker en assemblagemedewerker, ondanks zijn beperkingen.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser weer geschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9576 ZW

uitspraak van 17 februari 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.J.E.M. Edelmann,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 20 januari 2022.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn zoon. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. van Zaane.

Overwegingen

1.
Feiten en omstandigheden
Eiser is werkzaam geweest als triage audicien. Voor dat werk is hij op 3 augustus 2017 uitgevallen vanwege psychische klachten.
Bij besluit van 19 juli 2019 heeft het UWV geweigerd aan eiser met ingang van 1 augustus 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar bij besluit van 22 november 2019 ongegrond verklaard. Het UWV heeft zich daarbij gebaseerd op de conclusies van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van 15 juli en 5 augustus 2019, de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2019, de conclusies van verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) Boel van 20 november 2019 en van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] van 19 juli 2019. Door [naam arbeidsdeskundige] zijn de functies productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043), snackbereider (Sbc-code 111071) en wikkelaar (Sbc-code 267053) geschikt geacht voor eiser. Ook de functies assemblagemedewerker (Sbc-code 267041) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) achtte [naam arbeidsdeskundige] geschikt.
Eiser heeft tegen het besluit op bezwaar van het UWV van 22 november 2019 beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dat beroep op 25 juni 2021 ongegrond verklaard (zaaknummer 19/6732). Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld maar dat later ingetrokken, zodat deze uitspraak onherroepelijk is geworden.
Tijdens een periode van werkloosheid heeft eiser zich op 5 september 2019 weer ziek gemeld vanwege psychische klachten.
Het UWV heeft aan eiser met ingang van 5 december 2019 een ZW-uitkering toegekend.
Bij brief van 9 juli 2020 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij vanaf 10 juli 2020 weer geschikt is voor het eigen werk. (hersteldverklaring)
Eiser heeft tegen de hersteldverklaring bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.
Beroepsgronden
Eiser heeft gesteld dat zijn medische situatie niet goed is beoordeeld. Eiser heeft een cluster C persoonlijkheidsstoornis en paranoïde afhankelijke borderline en narcistische trekken. Psychiater [naam psychiater] vermeldt de diagnose cluster C persoonlijkheidsstoornis niet. Gelet op de onduidelijkheid hierover hadden de verzekeringsartsen navraag moeten doen bij de behandelend artsen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b eiser niet gezien. De hoorzitting was namelijk telefonisch.
In verband met zijn aandoeningen en klachten slikt eiser medicatie wat gevolgen heeft voor zijn functioneren en daarmee de functies die hij kan verrichten. Eisers medicatie is in de loop der tijd verschillende keren gewijzigd en verhoogd. Zo slikt eiser nu Flunitrazepam in een hogere dosering en al langer dan wordt geadviseerd. Door zijn medicatie is eiser minder alert en heeft hij problemen met concentreren.
Volgens eiser kan hij de eerder geduide functies montagemedewerker en assemblagemedewerker niet verrichten. Voor de functie montagemedewerker, waarbij wordt gewerkt met handgereedschap, is van belang dat er alert wordt gereageerd. Eiser kan dit niet. Hij heeft al zijn energie nodig om zichzelf staande te houden.
3.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:1a van de Awb bepaalt:
1. In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
(…)
3. Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
(…)
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Heeft er al eerder een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en wordt de verzekerde op een later tijdstip weer arbeidsongeschikt, dan wordt naar vaste rechtspraak onder ‘zijn arbeid’ verstaan één van de geduide functies die gebruikt zijn bij die beoordeling.
4.
Oordeel van de rechtbank
4.1
Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van eisers beroep dient te worden beoordeeld of hij in dat beroep kan worden ontvangen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hersteldverklaring van 9 juli 2020. In die brief heeft het UWV eiser weer geschikt geacht voor het eigen werk. In die brief is niet vermeld dat eiser door de hersteldverklaring geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en dat die uitkering met ingang van 10 juli 2020 wordt beëindigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hersteldverklaring niet gericht is op rechtsgevolg en geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 augustus 2006 en 8 oktober 2008 [1] . Nu de hersteldverklaring geen besluit is, had het UWV eiser niet in zijn bezwaar daartegen kunnen ontvangen.
In het bestreden besluit heeft het UWV wel vermeld dat de ZW-uitkering van eiser wordt beëindigd, omdat hij weer arbeidsgeschikt is. De rechtbank beschouwt dit besluit daarom wel als te zijn gericht op rechtsgevolg en als een (primair) besluit.
Ter zitting hebben partijen ingestemd met rechtstreeks beroep. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser tegen het bestreden besluit als zodanig behandelen.
4.2
Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV de ZW-uitkering van eiser op goede gronden heeft beëindigd per 10 juli 2020.
Het UWV heeft die uitkering beëindigd, omdat eiser weer geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Daaronder verstaat het UWV de functies assemblagemedewerker en montagemedewerker.
Het UWV heeft zijn standpunt gebaseerd op de rapportages van een arts, getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts, een verzekeringsarts b&b en een arbeidsdeskundige.
4.2.1
Medische beoordeling
De arts heeft eiser gezien, hem psychisch onderzocht en het dossier, waaronder informatie van psychiater [naam psychiater] van 10 maart 2020, een psychodiagnostisch onderzoek van juni 2018 en van spv’er [naam spv'er] van 29 juli 2019, bestudeerd. Eiser heeft bij de arts aangegeven dat zijn klachten het afgelopen jaar onveranderd zijn gebleven. De arts heeft gerapporteerd dat uit onderzoek is gebleken dat eisers klachtenpatroon ongewijzigd is. Wel is hij met nieuwe medicatie gestart, Flunitrazepam. Naast de beperkingen in de FML van
15 juli 2019 vindt de arts eiser beperkt voor werk waarbij alertheid van belang is, zoals werk met gevaarlijke machines, gereedschappen of motorvoertuigen. Omdat eisers vermoeidheidsklachten onveranderd zijn ziet de arts, net als eerder de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b in de WIA-procedure, geen aanleiding voor een urenbeperking op energetische gronden.
Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] heeft eiser telefonisch gehoord en dossieronderzoek verricht. Verder heeft de verzekeringsarts b&b informatie van psychiater [naam psychiater] van
17 juli 2020 in haar onderzoek betrokken. Ook de verzekeringsarts b&b concludeert dat eiser geschikt is voor minstens één van de in 2019 geduide functies. Zij acht het medisch onderzoek van de primaire arts voldoende zorgvuldig en zijn beslissing weloverwogen. De primaire arts heeft rekening gehouden met de uitvoerige psychiatrische gegevens en de diagnose persoonlijkheidsstoornis. De primaire arts heeft verder betrokken dat eiser heeft aangegeven dat zijn toestand onveranderd is. Met betrekking tot het oordeel van de behandelend psychiater over eisers arbeids(on)geschiktheid stelt de verzekeringsarts b&b dat een behandelaar niet de aangewezen persoon is om daarover een verklaring af te geven. Een verzekeringsarts is daartoe de aangewezen persoon. De verzekeringsarts b&b stelt verder dat er van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden geen sprake is. Eiser is niet opgenomen in een instelling, niet bedlegerig, niet ADL-afhankelijk en er is geen sprake van disfunctioneren als gevolg van een ernstige psychiatrische stoornis. De verzekeringsarts b&b erkent wel dat er sprake is van een belangrijke psychische kwetsbaarheid. Eiser heeft ADHD en een persoonlijkheidsstoornis met cluster C-trekken. Er zijn daarom zeer uitgebreide beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vastgesteld. De persoonlijkheidsproblematiek, persoonlijkheidsstoornis cluster C, is niet nieuw. Deze problematiek blijkt al uit informatie van de psychiaters [naam psychiater 2] en [naam psychiater 3] uit respectievelijk 2006 en 2007 die in het dossier aanwezig is en werd ook benoemd door (verzekerings)artsen in 2019 en 2020. Het is niet duidelijk waarom psychiater [naam psychiater] deze diagnose niet vermeldt/stelt. Dat de persoonlijkheidsstoornis nu na psychologisch onderzoek weer werd gesteld/geclassificeerd werpt dus geen ander licht op de al lang bekende persoonlijkheidsproblematiek en vastgestelde belastbaarheid.
Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b 2] heeft in de beroepszaak 19/6732 onder meer gereageerd op het overgelegde psychodiagnostisch onderzoek van mei/juni 2020. De verzekeringsarts b&b stelt dat uit het psychodiagnostisch onderzoek is gebleken dat eiser een persoonlijkheids-stoornis heeft en dat deze gegevens geen ander licht werpen op eisers belastbaarheid zoals destijds vastgesteld.
4.2.2
De rechtbank leidt uit de rapportages van de (verzekerings)artsen af dat zij op de hoogte waren van eisers psychische klachten en onder meer de diagnosen ADHD en persoonlijkheidsstoornis met cluster C-trekken. Zij hebben naar eisers klachten onderzoek gedaan. De primaire arts heeft eiser gezien, hem psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. Ook de verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en eiser gehoord tijdens een telefonische hoorzitting. Daarnaast hebben de (verzekerings)artsen medische informatie van onder meer eisers behandelend psychiater [naam psychiater] en de resultaten van psychodiagnostische onderzoeken betrokken. Daarmee is het medisch onderzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende zorgvuldig verricht.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd - namelijk dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat hij niet persoonlijk is gezien door de verzekeringsarts b&b, maar alleen is gehoord tijdens een telefonische hoorzitting - geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser wel is gezien door de primaire arts en door hem psychisch is onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft van de bevindingen van de primaire arts kennis genomen. Daarnaast heeft zij eiser telefonisch gesproken en kennis genomen van de medische informatie van psychiater [naam psychiater] en van de psychodiagnostische onderzoeken. Dat de verzekeringsarts b&b eiser niet in persoon heeft gezien maakt haar medisch onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts b&b een onjuist beeld had van de belastbaarheid en beperkingen van eiser.
In de medische informatie in het dossier ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te concluderen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat de (verzekerings) artsen geen juist beeld hadden van eisers beperkingen. De (verzekerings)artsen hebben die medische informatie betrokken in hun onderzoek. Zij hebben in het gegeven dat psychiater [naam psychiater] de diagnose persoonlijkheidsstoornis met cluster-C trekken niet heeft vermeld naar het oordeel van de rechtbank geen reden hoeven zien om daarover navraag bij hem te doen. De (verzekerings) artsen betwisten die diagnose namelijk niet en hebben daarmee ook rekening gehouden in hun onderzoek. De verzekeringsarts b&b heeft verder terecht gesteld dat het niet aan [naam psychiater] , een behandelaar, is om een uitspraak te doen over de arbeids(on)geschiktheid van eiser, zijn patiënt, maar dat dat is voorbehouden aan een verzekeringsarts.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij door gebruik van het medicijn Flunitrazepam meer beperkt is dan door de (verzekerings)artsen aangenomen, overweegt de rechtbank als volgt. Ondanks dat eiser bij de primaire arts heeft aangegeven dat zijn klachten het afgelopen jaar onveranderd zijn gebleven, heeft de primaire arts in het gebruik van dit nieuwe middel aanleiding gezien om eiser ten opzichte van de FML van 15 juli 2019 meer beperkt te achten, namelijk voor werk waarbij alertheid van belang is, zoals met gevaarlijke machines/ gereedschappen of motorvoertuigen. Niet gebleken is dat eiser op datum in geding, 10 juli 2020, een hogere dosis van dit middel gebruikte dan waarmee de primaire arts rekening heeft gehouden en evenmin is gebleken dat de primaire arts eisers beperkingen als gevolg van het gebruik van dit middel heeft onderschat. In het gebruik van Flunitrazepam ziet de rechtbank dan ook geen reden om eiser meer beperkt te achten dan door de (verzekerings)artsen aangenomen.
4.2.3
Arbeidskundige beoordeling
De arbeidsdeskundige heeft met inachtneming van de extra beperking die de primaire arts heeft gesteld de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies beoordeeld op geschiktheid voor eiser. De arbeidsdeskundige concludeert dat de functies productiemedewerker textiel, snackbereider en wikkelaar niet passend zijn vanwege het werken met gevaarlijke machines. De functies montagemedewerker en assemblagemedewerker vindt de arbeidsdeskundige wel geschikt omdat niet hoeft te worden gewerkt met gevaarlijke machines.
4.2.4
De rechtbank acht door de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd waarom de functies montagemedewerker en assemblagemedewerker voor eiser geschikt moeten worden geacht. Ook de rechtbank is van oordeel dat in deze functies niet met zodanig gevaarlijke materialen wordt gewerkt dat dat valt onder de beperking die de primaire arts heeft gesteld.
5.
Conclusie
Nu eiser weer geschikt moet worden geacht voor zijn arbeid, heeft hij geen recht meer op een ZW-uitkering. Het besluit van het UWV, waarbij eisers ZW-uitkering met ingang van 10 juli 2020 is beëindigd, houdt dan ook stand.
Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen reden om een proceskosten-veroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 17 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.