Belanghebbende verkocht een Volvo aan haar directeur tegen een vergoeding van €2.624 inclusief btw, terwijl de taxatiewaarde €25.016 bedroeg. De inspecteur stelde dat de maatstaf van heffing de taxatiewaarde moest zijn, omdat de lage vergoeding voortkwam uit de aandeelhoudersrelatie en er sprake zou zijn van misbruik van recht.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een levering onder bezwarende titel met een rechtstreeks verband tussen vergoeding en prestatie, waardoor het factuurbedrag leidend is voor de omzetbelasting. De lage vergoeding vanwege de aandeelhoudersrelatie maakt dit niet anders. Ook werd geoordeeld dat geen sprake was van misbruik van recht, omdat de transactie feitelijk een overdracht betrof en het besparen van btw onvoldoende is voor misbruik.
Daarnaast werd vastgesteld dat een verkapt dividend niet als tegenprestatie voor de omzetbelasting kan worden gezien, omdat het ontbreekt aan een rechtstreeks verband tussen prestatie en dividend. Het beroep is gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en teruggaaf van €3.886 aan omzetbelasting toegekend.