Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, maakte bezwaar tegen de hoogte van de ingehouden loonheffing door ABP NV over een pensioenuitkering in januari 2021. De inspecteur verklaarde het bezwaar aanvankelijk niet-ontvankelijk omdat er volgens hem nog geen loonheffing was ingehouden, en deed later een tweede uitspraak op bezwaar waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en vernietigt deze eerste uitspraak op bezwaar. Tevens acht de rechtbank de tweede uitspraak op bezwaar onterecht, omdat een nieuwe beslissing zonder tussenkomst van de rechter niet mogelijk is. De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoud van het bezwaar en stelt vast dat de ingehouden loonheffing op basis van de juiste grondslag en voor het juiste bedrag heeft plaatsgevonden.
Hoewel belanghebbende stelt dat er te veel is ingehouden, wijst de rechtbank erop dat de loonheffing een voorheffing is en dat belanghebbende via de aangifte inkomstenbelasting een beroep kan doen op het belastingverdrag om een eventuele teruggaaf te verkrijgen. Partijen stemmen hiermee in, zodat de rechtbank geen verdere beslissing over de hoogte van de loonheffing hoeft te nemen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de eerste uitspraak op bezwaar, verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.