De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om op grond van artikel 1:262b BW een geschil te beslechten over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige is sinds 2019 onder toezicht gesteld en meerdere malen uithuisgeplaatst, laatstelijk bij een jeugdhulpaanbieder. De GI wenst met alle betrokkenen maandelijks overleg om de impasse rond de uithuisplaatsing te doorbreken.
De rechtbank overweegt dat het verzoek niet binnen de reikwijdte van artikel 1:262b BW valt omdat er andere, specifiekere procedurele mogelijkheden bestaan, zoals verzoeken tot wijziging van machtigingen tot uithuisplaatsing of gesloten plaatsing, die ook rechtsbescherming bieden via hoger beroep. De GI heeft deze mogelijkheden niet benut.
Daarnaast is het verzoek onvoldoende concreet; het behelst een langdurige overlegstructuur zonder een specifiek geschil. De rechtbank constateert ook tekortkomingen in de begeleiding en opvang van de minderjarige, maar acht het verblijf bij de huidige jeugdhulpaanbieder passend.
De rechtbank verklaart het verzoek van de GI niet-ontvankelijk en beveelt de GI binnen een week een verzoek in te dienen voor de uithuisplaatsing bij de huidige instelling. Tevens roept zij de ouders op hun steun aan de uithuisplaatsing aan de minderjarige kenbaar te maken.