Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, werkzaam als stewardess bij KLM, woonde in 2019 eerst in de Verenigde Staten en daarna in Brazilië. Voor dat jaar is een aanslag IB/PVV opgelegd over een belastbaar inkomen van €22.327. De inspecteur heeft het premiedeel van de algemene heffingskorting en arbeidskorting toegekend, maar niet het inkomstenbelastingdeel.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen omdat zij niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Dit volgt uit de Wet IB 2001, die vereist dat een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige woonachtig is in een EU-lidstaat, EER-staat, Zwitserland of BES-eilanden, wat hier niet het geval is.
Belanghebbende stelde dat sprake is van verboden ongelijke behandeling op grond van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro. De rechtbank stelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen objectief en redelijk gerechtvaardigd is. Daarom is er geen sprake van discriminatie.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd zonder recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen.