ECLI:NL:RBZWB:2022:6450

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
4 november 2022
Zaaknummer
21-018881
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring klaagschrift en teruggave van inbeslaggenomen geldbedrag

Klager heeft een klaagschrift ingediend tegen het beslag op een geldbedrag van €3.560,00, gelegd op 21 november 2021 in zijn woning. Hij stelt eigenaar en rechthebbende te zijn en betwist het voortduren van het beslag vanwege het ontbreken van een strafvorderlijk belang en strijd met proportionaliteit en subsidiariteit.

De officier van justitie betwist het eigenaarschap van klager en stelt dat onvoldoende is onderbouwd dat het geld aan klager toebehoort. De rechtbank beoordeelt het klaagschrift in een summiere procedure en toetst of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt.

De rechtbank stelt vast dat het geldbedrag is aangetroffen op het adres waar klager staat ingeschreven en dat geen ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. Het strafvorderlijk belang ontbreekt omdat het geld onvoldoende verband houdt met enig strafbaar feit. Daarom wordt het klaagschrift gegrond verklaard en wordt teruggave van het geldbedrag gelast.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en teruggave van het geldbedrag van €3.560,00 aan klager gelast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: onbekend
rk.nummer: 21-018881
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. G.J. Woodrow, Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg
hierna te noemen: klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 21 november 2021 onder klager een geldbedrag van € 3.560,00 in beslag is genomen;
  • het klaagschrift, ingediend op 6 december 2021 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie; en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 11 maart 2022. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein, en mr. P. van de Kerkhof als waarnemend gemachtigd raadsman van klager.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar en rechthebbende stelt te zijn. Het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag ontbreekt. Er bestond geen aanleiding om het geldbedrag in beslag te nemen. Het voortduren van het beslag acht klager in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de raadsman in raadkamer aangevoerd dat er geen sprake is van een strafrechtelijk onderzoek. Klager stond ingeschreven op het adres waar het geldbedrag is aangetroffen. Er kan worden verondersteld dat het geldbedrag aan klager toebehoort.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat klager eigenaar is van het inbeslaggenomen geldbedrag. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de eigenaar van het inbeslaggenomen geld zou zijn.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank stelt vast dat het contante geldbedrag in beslag is genomen in de woning aan het adres waarop klager staat ingeschreven, namelijk [adres] . Het is de rechtbank niet gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van het inbeslaggenomen geldbedrag is aan te merken. De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang ontbreekt, nu het geldbedrag onvoldoende verband houdt met enig strafbaar feit. De rechtbank zal het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag gegrond verklaren en teruggave van het geldbedrag van € 3.560,00 gelasten.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond;
- gelast de teruggave van het geldbedrag van € 3.560,00 aan klager.
Deze beslissing is op 25 maart 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).