ECLI:NL:RBZWB:2022:6327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn twee-onder-een-kapwoning aan de hand van een taxatieverslag en verwees naar gedateerde voorzieningen en verschillen met referentieobjecten. De heffingsambtenaar stelde dat de waarde correct was vastgesteld en onderbouwde dit met een taxatierapport en een matrix waarin rekening was gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De verwijzing naar een eerdere uitspraak van het gerechtshof en het vermoeden dat een referentieobject niet via openbare registers was verkocht, werden verworpen. De waarde van €328.000 bleef gehandhaafd.
Daarnaast stelde belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde een overschrijding van acht maanden en kende een vergoeding van €1.000 toe. Tevens werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende de schadevergoeding en proceskosten toe aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 3 november 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.