Eiser vroeg subsidie aan voor de aanschaf van een elektrische personenauto en ontving aanvankelijk een subsidie van € 4.000. De staatssecretaris stelde later de subsidie vast op € 2.000, omdat de auto volgens de Subsidieregeling als gebruikt werd aangemerkt. Eiser maakte bezwaar tegen deze lagere vaststelling, stellende dat de auto als nieuw moest worden beschouwd en dat de regeling onredelijk werd toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de definitie van een nieuwe auto in de Subsidieregeling leidend is en dat de Hoge Raad-uitspraak over het begrip nieuwe auto in de BPM-wet niet van toepassing is op deze regeling. Het doel van de regeling is het stimuleren van elektrische auto's, zowel nieuw als gebruikt, waardoor de lagere subsidie passend is.
Hoewel de staatssecretaris bij de lagere subsidievaststelling een belangenafweging had moeten maken, wat niet expliciet in het besluit was opgenomen, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiser daardoor niet benadeeld werd. De rechtbank wees het beroep af, veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan eiser werd vergoed.