ECLI:NL:RBZWB:2022:6265

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
21-016145
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op bezwaarschrift DNA-onderzoek bij veroordeelden

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 april 2022 uitspraak gedaan op een bezwaarschrift van een veroordeelde tegen het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek. De veroordeelde, geboren in 1995 en gedetineerd in de P.I. Rotterdam, had op 19 oktober 2021 een bezwaarschrift ingediend, waarin hij stelde dat zijn persoonlijke belangen zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang bij het afnemen van zijn DNA. De rechtbank heeft op 21 maart 2022 de zaak behandeld in raadkamer, waarbij de officier van justitie en de gemachtigd raadsvrouw van de veroordeelde aanwezig waren. De veroordeelde was niet verschenen.

De rechtbank overwoog dat de veroordeelde eerder was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voor diefstal met geweld, en dat hij inmiddels DNA-materiaal had afgestaan. De rechtbank concludeerde dat de afname van celmateriaal in overeenstemming was met de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De rechtbank stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de wet rechtvaardigden. De veroordeelde had geen overtuigende argumenten aangedragen die zouden kunnen leiden tot een gegrondverklaring van zijn bezwaarschrift.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond, en benadrukte dat de wet voorziet in de afname van DNA-materiaal bij veroordeelden, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. De beslissing werd genomen door rechter R.P. Broeders, in aanwezigheid van griffier J. van ‘t Westende. Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/027428-21
rk-nummer: 21-016145
Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden(hierna te noemen de Wet), ingekomen ter griffie op 19 oktober 2021, over het bevel tot afname van celmateriaal, van:
[veroordeelde]geboren op [geboortedag] 1995,
thans gedetineerd in de P.I. Rotterdam,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. H. Raza, Boompjes 404, 3011 XZ Rotterdam
hierna te noemen: veroordeelde.

1.De procedure

Op 21 maart 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. L.A. Sjadijeva als, waarnemend, gemachtigd raadsvrouw van veroordeelde gehoord.
Veroordeelde is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het bezwaarschrift verschenen.
Namens veroordeelde is aangevoerd dat hij op 19 april 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Veroordeelde is tegen deze veroordeling in hoger beroep gegaan. Inmiddels heeft veroordeelde DNA-materiaal afgestaan. Veroordeelde is de mening toegedaan dat zijn persoonlijk belang zwaarder dient dan het maatschappelijk belang bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde is gelet op de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden niet van betekenis voor het voorgaande. Redenen waarom veroordeelde de rechtbank verzoekt zijn bezwaarschrift gegrond te verklaren onder vernietiging van het onder hem afgenomen DNA-materiaal.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de aard van het misdrijf zich verzet tegen gegrondverklaring van onderhavig bezwaarschrift. Daarnaast zijn er geen bijzondere (persoonlijke) omstandigheden aangevoerd die als uitzondering gezien kunnen worden. Veroordeelde heeft een strafblad op het gebied van geweld, de Wet Wapens en Munitie en verdovende middelen. Het bezwaarschrift dient ongegrond verklaard te worden.

2.De beoordeling

Bij uitspraak van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 april 2021 is veroordeelde veroordeeld ter zake van, kort gezegd, diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Na het bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van 21 mei, heeft veroordeelde op 6 oktober 2021 celmateriaal afgestaan.
Op basis van de door veroordeelde gevoerde verweren dan wel een ambtshalve beoordeling door de rechtbank, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.
Formeel:
Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan derhalve in het bezwaarschrift worden ontvangen.
Aan de vereisten die de wet stelt ten aanzien van de afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel is voldaan, aangezien:
  • voornoemde veroordeling een feit betreft dat is omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv); en
  • niet is gebleken dat van veroordeelde al een DNA-profiel is verwerkt als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet.
Materieel:
Veroordeelde doet een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet.
De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Dit is blijkens de wetsgeschiedenis slechts in twee uitzonderingssituaties aan de orde.
Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn.
De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De laatste uitzonderingsmogelijkheid heeft slechts een beperkte reikwijdte. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare omstandigheid; louter berouw of een belofte van de veroordeelde is onvoldoende (Kamerstukken II, 2002-2003, 28685, nr. 3, p. 11-12). Het betreft beperkt uit te leggen uitzonderingen (HR 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231).
Over het door veroordeelde aangevoerde bezwaar dat sprake is van een uitzonderingsgeval in de zin van artikel 2 aanhef en onder b, van de Wet, overweegt de rechtbank als volgt.
Veroordeelde heeft een beroep gedaan op de uitzonderinggrond dat sprake is van een veroordeling voor een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn.
De wetgever heeft slechts een zeer beperkte reikwijdte gegeven aan de uitzonderingsituatie waarop veroordeelde een beroep doet; in de memorie van toelichting wordt als voorbeeld voor een dergelijke uitzondering een situatie aangehaald waarbij de veroordeelde vanwege ernstig lichamelijk letsel in de toekomst geen strafbaar feit meer kan plegen. Weliswaar behoeft het opnieuw vervallen in crimineel gedrag niet feitelijk onmogelijk te zijn om een beroep op de uitzonderingsgrond te honoreren, doch in dat geval dienen er zeer uitzonderlijke omstandigheden te worden aangevoerd waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het moet dan gaan om omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar derhalve ongegrond moet worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 4 april 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.