ECLI:NL:RBZWB:2022:6259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
21-017508
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van DNA-profiel van een veroordeelde in het kader van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 maart 2022 uitspraak gedaan in een bezwaarschrift van een veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De veroordeelde, geboren in 2001, was eerder op 7 september 2021 door de politierechter veroordeeld voor het overtreden van de Opiumwet. Het bezwaarschrift werd op 12 november 2021 ingediend en de behandeling vond plaats in besloten raadkamer op 11 maart 2022. De veroordeelde was niet verschenen, maar zijn advocaat, mr. R. el Bellaj, en de officier van justitie, mr. J. Castelein, waren aanwezig.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaar tijdig en op de juiste wijze was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het bevel tot afname van celmateriaal op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden rechtmatig was, omdat het misdrijf waarvoor de veroordeelde was veroordeeld, voldeed aan de vereisten van de wet. De rechtbank overwoog dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde van belang kon zijn voor de opsporing en vervolging van eventuele toekomstige strafbare feiten.

De rechtbank heeft de argumenten van de veroordeelde, waaronder zijn positieve ontwikkeling en het feit dat hij ten tijde van het misdrijf minderjarig was, niet voldoende geacht om te concluderen dat er sprake was van een uitzonderingssituatie. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarmee het bevel tot afname van het DNA-profiel werd gehandhaafd. Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-133461-21
raadkamernummer : 21-017508
datum : 11 maart 2022
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. el Bellaj advocaat te Tilburg, (Postbus 2191, 5001 CD Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 12 november 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 11 maart 2022 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de advocaat, mr. R. el Bellaj en de officier van justitie, mr. J. Castelein op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij op 7 september 2021 door de politierechter is veroordeeld ter zake het overtreden van de Opiumwet. Veroordeelde kan zich niet verenigen met het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel in de DNA-databank. Het bevel voldoet niet aan de eisen van de wet omdat het vonnis en de straf niet staan vermeld. Veroordeelde is niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. De veroordeling vanwege een overtreding van de Opiumwet is een veroordeling waarbij behoud van het DNA-profiel van niet van betekenis kan zijn ter voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Er was sprake van een éénmalig incident. Veroordeelde was jong ten tijde van het feit. Hij heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en veel geleerd van hetgeen hem is overkomen. Veroordeelde heeft verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Beoordeling

Bij vonnis van 7 september 2021 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet en artikel 2 onder C van de Opiumwet tot een taakstraf van 80 uur met aftrek.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal alleen worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet. De rechtbank stelt bovendien vast dat het afgegeven bevel voldoende specifiek is nu het verwijst naar het vonnis met daarin alle gegevens omtrent de veroordeling.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor handelen in strijd met een in de Opiumwet gegeven verbod. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal, gelet op de aard van dit misdrijf waarbij in beginsel DNA-sporen kunnen worden achtergelaten, wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Desondanks acht de rechtbank het tijdsverloop tussen de veroordeling en dit moment onvoldoende om uit te sluiten dat veroordeelde zal recidiveren.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de bepaling van het DNA-profiel van belang kan zijn voor opsporing en vervolging en dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie. Gelet hierop verklaart zij het bezwaar ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is op 25 maart 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.