ECLI:NL:RBZWB:2022:6017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
18 oktober 2022
Zaaknummer
016857-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b lid 1 onder 4o SrArt. 552f Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen strafvorderlijk beslag op auto wegens risico verbeurdverklaring

De zaak betreft een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het strafvorderlijk beslag op een personenauto, die in beslag is genomen in een strafrechtelijk onderzoek tegen de zoon van klager. Klager, eigenaar van de auto, verzocht om opheffing van het beslag omdat hij hinder ondervindt van het niet kunnen gebruiken van zijn voertuig.

De officier van justitie handhaaft het beslag vanwege het risico op recidive van de zoon, die zonder rijbewijs met de auto heeft gereden. Klager had kennis van het ontbreken van het rijbewijs van zijn zoon, maar liet de auto toch bij hem staan, waardoor de auto vatbaar is voor verbeurdverklaring.

De rechtbank overweegt dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave indien het voortduren van het beslag noodzakelijk is voor het veiligstellen van bewijs of het voorkomen van onttrekking aan het verkeer. Gezien de omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat het beslag blijft, en verklaart het klaagschrift ongegrond.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op de auto wordt ongegrond verklaard vanwege het risico op verbeurdverklaring.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Middelburg
parketnummer: 96-232593-21 [zoon van klager]
rk-nummer: 016857-21
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager],
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: klager.
Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen, op het adres Oostelijk Bolwerk 7, 4531 GP Terneuzen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
 de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 27 september 2021 onder in het strafvorderlijk onderzoek tegen [zoon van klager] in beslag is genomen:
- een personenauto van het Peugeot, type Bipper en voorzien van het [kenteken] (hierna: de auto).
  • het klaagschrift, ingediend op 2 november 2021 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie; en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 12 januari 2021. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. G. Smid, klager en mr. S. van Steenberge als gemachtigd raadsvrouw van klager.
De belanghebbende (overeenkomstig artikel 552a lid 5 Sv), zijnde [zoon van klager] , is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de auto. Klager ondervindt hinder van het beslag omdat hij zo zijn auto niet kan gebruiken. Het beslag wordt door het Openbaar Ministerie gehandhaafd in verband met het risico op recidive. Dat risico ziet op de zoon van klager, zijnde [zoon van klager] , niet op klager zelf. De zoon van klager heeft zonder zijn toestemming in de auto gereden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Klager is de vader van verdachte en heeft verklaard dat hij wetenschap had van het feit dat zijn zoon niet beschikt over een geldig rijbewijs. Desondanks heeft hij de auto voor de deur van zijn zoon laten staan. De auto is derhalve vatbaar voor verbeurdverklaring.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
In deze doet zich het geval voor dat een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt, stelt rechthebbende te zijn en zich beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. In een dergelijk geval zal de rechtbank bij de beoordeling tevens acht moeten slaan op het bepaalde in art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr, inhoudende dat voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren alleen verbeurd kunnen worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto nu deze vatbaar is voor verbeurdverklaring. Klager heeft – op het moment dat hij wist dat zijn zoon niet meer mocht autorijden – nagelaten de auto én de sleutel van de auto weg te halen bij zijn zoon. Klager heeft daardoor de auto tot beschikking van zijn zoon gelaten en derhalve redelijkerwijs moeten kunnen vermoeden dat zijn zoon ook zonder zijn toestemming nog gebruik zou maken van de auto.
De rechtbank zal het klaagschrift daarom ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 26 januari 2022 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van H.M. van Dijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).