ECLI:NL:RBZWB:2022:566

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2022
Publicatiedatum
4 februari 2022
Zaaknummer
BRE-21_1996
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:5 AwbInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring beroep tegen mededeling nieuwe verjaringstermijn inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een mededeling van de ontvanger van de Belastingdienst over een nieuwe verjaringstermijn met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2011. De ontvanger had het bezwaar van belanghebbende tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank overweegt dat de fiscale bestuursrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990, tenzij een uitzondering van toepassing is. De beslissing tot verlenging van de verjaringstermijn valt niet onder deze uitzonderingen, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar daarom kennelijk ongegrond. Voor zover het beroep rechtstreeks gericht is tegen de mededeling van de verjaringstermijn, verklaart de rechtbank zich onbevoegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier N. Plasman op 4 februari 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond en zich onbevoegd voor het beroep tegen de mededeling nieuwe verjaringstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/1996
uitspraak van 4 februari 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de ontvanger van de Belastingdienst,
de ontvanger.

1.Motivering

1.1.
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de mededeling nieuwe verjaringstermijn inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 met aanslagnummer [aanslagnummer]H.16.01.
1.2.
Belanghebbende heeft niet duidelijk gespecificeerd waartegen zijn beroep zich richt. Uit de stukken die door de ontvanger zijn toegestuurd, volgt dat er een uitspraak op bezwaar tegen de mededeling nieuwe verjaringstermijn is gedaan op 2 april 2021. De ontvanger heeft daarin het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak op bezwaar
1.3.
Of bezwaar tegen een beslissing van de ontvanger mogelijk is, hangt ervan af of beroep mogelijk is. De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990 [1] . Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing van de ontvanger om de verjaringstermijn te verlengen valt niet onder een van de uitzonderingen. Dit betekent dat de ontvanger het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.4.
Het beroep is daarom in zoverre kennelijk ongegrond.
Mededeling verjaringstermijn
1.5.
Voor zover het beroep van belanghebbende direct is gericht tegen de brief van de ontvanger van 15 maart 2021, verklaart de rechtbank (de fiscale bestuursrechter) zich onbevoegd. Zoals hiervoor is overwogen kan tegen een dergelijke beslissing geen beroep worden ingesteld.
1.6.
De rechtbank is in zoverre dus kennelijk onbevoegd.

2.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar.
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de mededeling verjaringstermijn.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 4 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.