Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006. De rechtbank heeft tijdens een regiezitting op 7 juni 2021 het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het beroep inhoudelijk behandeld.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank overwoog dat voor verzoeken die betrekking hebben op boekjaren vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is en dat de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad in diens beslissing van 23 oktober 2020. De rechtbank zag geen aanleiding om een ander rechtsherstel toe te passen of prejudiciële vragen te stellen. Ook de klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, bestaat ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet instemde met de vervangende betaling, waardoor geen recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat.