ECLI:NL:RBZWB:2022:5521
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening kinderbijslag en vergoeding wettelijke rente over eerste en derde kwartaal 2019
Eiseres, woonachtig in Nederland maar met een zoon in Bulgarije, kreeg kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal van 2018. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag haar recht op kinderbijslag over 2019 en stelde dat zij over het eerste tot en met het vierde kwartaal geen recht had, met een betalingsvoorstel voor terugbetaling. Eiseres voerde aan dat zij voldoende had bijgedragen aan het onderhoud, met bewijsstukken, en dat de Svb deze stukken had misplaatst.
De rechtbank oordeelde dat er wel recht op kinderbijslag bestond voor het eerste en derde kwartaal van 2019, maar niet voor het tweede kwartaal vanwege onvoldoende bijdrage. De Svb had echter geen nieuw besluit genomen over het eerste en derde kwartaal ondanks een gewijzigd standpunt, waardoor het primaire besluit ongewijzigd bleef. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor die kwartalen en beval herroeping van de herziening, met een verplichting tot na- of terugbetaling.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Svb tot vergoeding van wettelijke rente over onterecht verrekende en terugbetaalde bedragen en tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten. De rechtbank wees erop dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de stukken tijdig had ingediend, maar dat de Svb ook nalatig was geweest in het nemen van een besluit over het gewijzigde standpunt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor het eerste en derde kwartaal 2019, en de Svb wordt veroordeeld tot na- of terugbetaling en vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.