Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, was in beroep gegaan tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (IB) en bijbehorende boetes en belastingrente voor de jaren 2010 tot en met 2017. De aanslagen betroffen pensioenuitkeringen die deels fiscaal gefacilieerd in Nederland waren opgebouwd. De inspecteur had de aanslagen opgelegd na een bespreking met de Belgische fiscus, waarbij werd geconcludeerd dat Nederland het heffingsrecht toekomt.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de aanslagen grotendeels buiten de wettelijke bezwaartermijn waren ingediend en dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Ook de verzoeken om ambtshalve vermindering werden afgewezen vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn. Belanghebbende had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aanslagen te hoog waren vastgesteld, mede omdat hij zijn pensioenopbouw niet concreet had onderbouwd.
De rechtbank wees alle beroepen af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat tijdige indiening van bezwaarschriften en verzoeken essentieel is en dat de bewijslast voor het aantonen van te hoge aanslagen bij de belastingplichtige ligt.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen en verzoeken om ambtshalve vermindering worden ongegrond verklaard.