Op 14 september 2020 achtervolgde verdachte het slachtoffer in Breda en gaf hem een trap en vuistslag, waarna hij een biljet van €10 en een gsm van het slachtoffer afnam. De rechtbank achtte afpersing niet bewezen omdat het slachtoffer niet gedwongen werd tot afgifte, maar veroordeelde verdachte voor diefstal met geweld. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat onvoldoende bewijs was dat hij samen met een ander handelde.
De rechtbank oordeelde dat verdachte, die destijds meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht moest worden berecht. De reclassering rapporteerde dat verdachte ADHD, PTSS en persoonlijkheidsstoornissen heeft, maar voldoende gedragsverandering vertoont en een gemiddeld recidiverisico heeft. De rechtbank legde een taakstraf van 200 uur op, met vervangende hechtenis van 100 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €3.725,30, waarvan de rechtbank €2.725,30 toewijst wegens materiële en immateriële schade. Daarnaast werden proceskosten van €484 toegewezen. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast. De rechtbank gelastte ook de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van €10 aan het slachtoffer.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair tenlastegelegde afpersing en van het medeplegen, en veroordeelde hem alleen voor diefstal met geweld. De straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd vanwege de vrijspraak van medeplegen en het ontbreken van bewijs voor het geven van een klap op het oog van het slachtoffer.
Het vonnis werd uitgesproken op 31 januari 2022 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis mede tekenden.