Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2022 in de zaak tussen[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Wettelijk kader
. Beoordeling door de rechtbank
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontving sinds 2013 een WIA-uitkering en ontving daarnaast vanaf 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) voor de zorg aan zijn echtgenote. Na een melding van de Belastingdienst startte het UWV een onderzoek en stelde vast dat eiser de pgb-inkomsten niet had gemeld, wat leidde tot herziening en intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht en een terugvordering van €166.880,75 bruto.
Eiser voerde aan dat hij de pgb-inkomsten wel had gemeld, onder meer mondeling aan een UWV-adviseur, en dat terugvordering in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het UWV aan haar bewijslast had voldaan en dat uit de stukken niet bleek dat eiser de pgb-inkomsten concreet had gemeld.
De rechtbank vond de verklaringen van de UWV-adviseur en de context van het telefoongesprek overtuigend en concludeerde dat het niet aannemelijk was dat eiser aan zijn inlichtingenplicht had voldaan. De herziening, intrekking en terugvordering waren daarmee terecht en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de herziening, intrekking en terugvordering van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.