ECLI:NL:RBZWB:2022:4158

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2022
Publicatiedatum
26 juli 2022
Zaaknummer
BRE-21-3268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep vennootschapsbelasting

Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 en de opgelegde verzuimboete. Tijdens de procedure bereikten partijen een overeenstemming, waarna belanghebbende het beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoewel de inspecteur aan het beroep tegemoet is gekomen, is niet gebleken dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van beroepsmatige rechtsbijstand, noch dat er proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Daarnaast is belanghebbende vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, waardoor de inspecteur niet verplicht is dit te vergoeden. De rechtbank concludeert daarom dat geen aanleiding bestaat tot proceskostenveroordeling en wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen beroepsmatige rechtsbijstand is verleend en geen proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/3268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 23 juli 2021 inzake de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] en de bij beschikking opgelegde verzuimboete.
Bij brief van 22 december 2021 heeft de inspecteur aangegeven dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat er naar zijn mening geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand omdat de correspondentie is gevoerd door belanghebbende zelf.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
De inspecteur is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend in de vorm van proceshandelingen die zijn genoemd in het Bpb. Door de inspecteur is verder onweersproken gesteld dat (de bestuurder van) belanghebbende zelf alle proceshandelingen heeft verricht. Ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Bpb.
De rechtbank wijst erop dat verzoeker wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 22 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.