ECLI:NL:RBZWB:2022:4114
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep met vergoeding immateriële schade
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €562.000. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsmethode die door beide partijen werd gehanteerd, waarbij verschillende vergelijkingsobjecten werden besproken. De rechtbank concludeerde dat geen van beide partijen voldoende aannemelijk had gemaakt dat hun voorgestelde waarde correct was. Gezien de aangevoerde argumenten stelde de rechtbank de WOZ-waarde vast op €557.000.
Daarnaast wees de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat vergelijkbare woningen onjuist waren gewaardeerd. Verder kende de rechtbank belanghebbende een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, welke geheel voor rekening van de minister komt.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verlaagde de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig de nieuwe WOZ-waarde, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: WOZ-waarde vastgesteld op €557.000 met verlaging aanslag en vergoeding immateriële schade toegekend.