ECLI:NL:RBZWB:2022:4069

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2022
Publicatiedatum
22 juli 2022
Zaaknummer
BRE 22_757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging in belastingzaak

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland. Het beroep is ingediend door een gemachtigde zonder dat een juiste machtiging was bijgevoegd. De rechtbank heeft de gemachtigde meerdere malen verzocht om binnen gestelde termijnen een geldige en ondertekende machtiging te overleggen.

Ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen is geen juiste machtiging ingediend. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de redelijke behandeltermijn niet is overschreden.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

De heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Namens belanghebbende heeft [gemachtigde] tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 december 2021 beroep ingesteld.

Overwegingen

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
[gemachtigde] heeft bij het beroepschrift geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft [gemachtigde] bij brief van 22 februari 2022 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De brief bevat de waarschuwing dat indien het verzuim niet tijdig wordt hersteld, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
Bij brief van 25 februari 2022 overlegt [gemachtigde] een machtiging waarbij het overgrote deel van de tekst ontbreekt. Ook is niet duidelijk op wiens naam de machtiging staat en ontbreekt de ondertekening.
Bij aangetekende brief van 1 april 2022 verzoekt de griffier om binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief een nieuwe, leesbare volmacht in te dienen.
Bij brief van 15 april 2022 overlegt [gemachtigde] een machtiging. Uit de overlegde machtiging is niet op te maken of deze is ondertekend door belanghebbende.
Bij aangetekende brief van 30 mei 2022 is [gemachtigde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om een juiste volmacht te overleggen. De brief bevat de waarschuwing dat indien het verzuim niet binnen twee weken wordt hersteld, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de aangetekende brief van 30 mei 2022 afgehaald op een afhaallocatie van PostNL.
[gemachtigde] heeft binnen de termijn geen juiste machtiging ingediend.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst verder het verzoek om immateriëleschadevergoedig af, aangezien de redelijke behandeltermijn in eerste aanleg niet is overschreden.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriëleschadervergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 22 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.