Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de inspecteur vastgestelde definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, waarin het belastbaar inkomen uit werk en woning was vastgesteld op €14.186. Volgens belanghebbende was dit inkomen te hoog vastgesteld omdat het inkomen van de BV niet aan hem persoonlijk was betaald, maar direct aan de gemeente, en dit bedrag zou zijn verrekend met zijn bijstandsuitkering.
De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard en op verzoek van de rechtbank aanvullende informatie opgevraagd bij de gemeente. Uit deze informatie bleek dat belanghebbende het loon uit vroegere dienstbetrekking van €7.404 en het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van €6.782, na inhouding van loonheffing, daadwerkelijk heeft ontvangen. De totale bruto-inkomsten van belanghebbende en zijn echtgenote kwamen nagenoeg overeen met het bijstandsinkomen waarop zij volgens de gemeente recht hadden.
De rechtbank concludeert dat het door de inspecteur vastgestelde inkomen uit werk en woning niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de aanslag blijft in stand en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2018 blijft in stand.