Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende voerde beroep aan tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2018. De inspecteur had de aanslagen en de daarbij behorende belastingrente opgelegd en gehandhaafd na bezwaar. Belanghebbende stelde dat zij recht had op de zelfstandigenaftrek, onderbouwd met een urenregistratie.
De rechtbank beoordeelde of belanghebbende voldeed aan het urencriterium van minimaal 1.225 uren per jaar, waarvan meer dan 50% van de tijd besteed moet zijn aan de onderneming. Uit de urenregistratie en de omstandigheden bleek dat belanghebbende ook veel tijd besteedde aan werkzaamheden in loondienst, inclusief reistijd, waardoor niet aan het grotendeelscriterium werd voldaan.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij aan het urencriterium voldeed en wees het beroep af. Ook de aanslag Zvw bleef in stand omdat het bijdrage-inkomen niet te hoog was vastgesteld. De belastingrentebeschikkingen werden eveneens gehandhaafd. Belanghebbende kreeg geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.