ECLI:NL:RBZWB:2022:3877
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning op basis van eigen aankoopprijs
Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 2006 en heeft dit gekocht voor € 340.000 inclusief een aandeel in het reservefonds. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op € 331.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van € 296.000 voor.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De koopprijs is in beginsel de beste indicatie van de waarde, tenzij bijzondere omstandigheden dit beïnvloeden. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat dergelijke omstandigheden aanwezig zijn.
De rechtbank wijst erop dat de waardepeildatum afwijkt van de aankoopdatum, maar dat de Wet WOZ een fictieve verkoop op de waardepeildatum voorschrijft, waarbij marktontwikkelingen worden meegenomen. De discussie over het balkon en gebruiksoppervlakte verandert hier niets aan. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en de beschikking en aanslag in stand blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van € 331.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.