ECLI:NL:RBZWB:2022:3581

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
29 juni 2022
Zaaknummer
21/1883
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting en verzuimboete

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 juni 2022, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil, vergezeld van een verzuimboete van € 2.757. Belanghebbende had geen aangifte Vpb 2018 ingediend, ondanks meerdere uitnodigingen. Na het indienen van een aangifte met een negatief belastbaar bedrag, heeft de inspecteur de aanslag conform de aangifte vastgesteld, maar de verzuimboete gehandhaafd. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de verzuimboete en vroeg om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding, omdat het verzoek te laat is ingediend. De inspecteur had in dit geval tweemaal uitspraak op bezwaar gedaan, wat niet mogelijk is. De rechtbank concludeert dat de bezwaarfase eindigde met de eerste uitspraak op bezwaar, en dat het tweede bezwaarschrift als beroepschrift had moeten worden aangemerkt. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de verzuimboete, omdat deze gedurende de beroepsfase door de inspecteur is verminderd tot nihil. Voor het overige is het beroep ongegrond. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden, maar ziet geen aanleiding voor een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding.

De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1883
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende,
en
De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur 3 april 2021.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil en gelijktijdig daarbij een verzuimboete van € 2.757 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer]).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.A.H.G.M. Ooms van Ooms en Partners B.V., kantoorhoudende te Breda en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft, hoewel hij daartoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte Vpb 2018 ingediend.
2.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 24 oktober 2020 ambtshalve de aanslag Vpb 2018 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij is tevens aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd.
2.3.
Belanghebbende heeft op 23 oktober 2020 de aangifte Vpb 2018 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 6.505. De inspecteur heeft de aangifte aangemerkt als bezwaar tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag.
2.4.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 5 december 2020, verzonden aan belanghebbende op 2 december 2020, heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld conform de ingediende aangifte en de verzuimboete gehandhaafd.
2.5.
Belanghebbende heeft bij brief van 3 december 2020, ontvangen door de inspecteur op 4 december 2020, bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete. Daarbij is tevens verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 april 2021 heeft de inspecteur de verzuimboete verminderd tot nihil. Het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is afgewezen.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een (integrale) kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Tweemaal uitspraak op bezwaar
3.3.
De inspecteur heeft in het onderhavige geval tweemaal uitspraak op bezwaar gedaan, te weten op 5 december 2020 en 3 april 2021. Het doen van een tweede uitspraak op bezwaar is niet mogelijk. Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op bezwaar de behandeling van het bezwaar eindigt. Dat betekent dat de bezwaarfase in dit geval is geëindigd met de uitspraak op bezwaar met dagtekening 5 december 2020. Belanghebbendes bezwaarschrift met dagtekening 3 december 2020 had dan door inspecteur aangemerkt en doorgezonden moeten worden als beroepschrift. [1] Daarmee is de beroepsfase aangevangen. De (tweede) uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 april 2021 waarbij de verzuimboete is verminderd tot nihil geldt dan als een (ambtshalve) vermindering door de inspecteur gedurende de beroepsfase. Dat heeft tot gevolg dat het beroep in zoverre gegrond is.
Kostenvergoeding bezwaar
3.4.
Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken worden uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. [2] Het verzoek om een kostenvergoeding dient te worden gedaan voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist. [3]
3.5.
De inspecteur betoogt dat het verzoek om een kostenvergoeding te laat – na afloop van de bezwaarfase – is gedaan door belanghebbende, zodat er geen recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Belanghebbende voert aan dat het verzoek tijdig is gedaan nu het (tweede) bezwaarschrift is gedagtekend op 3 december 2020, ontvangen door de inspecteur op 4 december 2020, en daarmee is ingediend vóór de dagtekening van (eerste) uitspraak op bezwaar van 5 december 2020.
3.6.
Voor de beoordeling wanneer de inspecteur heeft beslist op het bezwaar geldt als uitgangspunt de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Van dat uitgangspunt kan naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid van de Awb worden afgeweken indien het besluit materieel eerder dan de dagtekening van de uitspraak op bezwaar is genomen en belanghebbende daarmee eerder bekend is geworden.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat belanghebbende reeds eerder bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar van 5 december 2020. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de omstandigheid dat de datum van de terpostbezorging van de uitspraak op bezwaar (2 december 2020), de dagtekening van het bezwaarschrift (3 december 2020) en de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur (4 december 2020) nauw op elkaar aansluiten. Ook de inhoud van het bezwaarschrift bevestigt dat oordeel, nu daarin slechts gronden zijn aangevoerd tegen de verzuimboete, hetgeen doet vermoeden dat belanghebbende bij het opstellen van het bezwaarschrift van 3 december 2020 reeds bekend was geworden met de uitspraak op bezwaar van 5 december 2020 waarbij de aanslag conform de aangifte was vastgesteld. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laat gedaan, zodat zij geen recht heeft daarop.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond omdat de inspecteur de verzuimboete gedurende de beroepsfase heeft verminderd tot nihil. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar betreffende de verzuimboete. Voor het overige is het beroep ongegrond.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor haar proceskosten. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan slechts worden toegepast indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Uit de gedingstukken en hetgeen belanghebbende heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De forfaitaire vergoeding bedraagt dan € 1.518,- omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
4.3.
Belanghebbende heeft op 13 juni 2022 een brief gestuurd naar de rechtbank met het onderwerp ‘conclusie van repliek’. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat de brief niet als conclusie van repliek dient te worden aangemerkt, maar als pleitnota. Bij brief van 9 juli 2021 heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om het indienen van een conclusie van repliek. De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd bij brief van 12 juli 2021 en daarbij belanghebbende een termijn van zes weken gegund om een conclusie van repliek in te dienen. De brief van 13 juni 2022 is ruim na afloop van die termijn door de rechtbank ontvangen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de brief van 13 juni 2022 aan te merken als conclusie van repliek. [4] Daarbij verdient opmerking dat de brief van 13 juni 2022 is ingediend nadat belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting na afloop van de termijn voor het indienen van nadere stukken. [5]

5.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de verzuimboete;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de verzuimboete;
  • vernietigt de verzuimboete;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 360,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Nandram, rechter, in aanwezigheid van
mr.A. Krishnapillai, griffier, op 29 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Artikel 6:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:15, tweede lid van de Awb.
3.Artikel 7:15, derde lid van de Awb.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.
5.Artikel 8:58, eerste lid van de Awb.